De bruggen van Brussel, een wandeling met An Devroe

 

De aanleiding om de bruggen van Brussel onder de aandacht te brengen? De bruggen zelf en, toegegeven, ook mijn liefde ervoor. In de hoofdstad van België en Europa wordt heel wat overbrugd: een zeekanaal, een knooppunt van sporen, valleien, rivieren die nog niet overal overwelfd zijn, en zelfs sociale breuklijnen.

Als de Franse auteur Octave Mirbeau in zijn reisverslag La 638-E8 – nummerplaat van de auto die hem aan het begin van de vorige eeuw naar België, Duitsland en Nederland brengt – bombastisch een stukje opent met: “Sur les ponts de Bruxelles…’”verbetert hij zich snel: “Qu’est-ce que je chantais là, mon Dieu?… À Bruxelles, il n’y a pas de ponts.” Akkoord, hier geen Brooklyn Bridge, Viaduc de Millau, Ironbridge of Ponte Vecchio, maar misschien had Mirbeau niet het juiste vervoermiddel gekozen. Om bruggen echt te zien moet je met de benen reizen en ook een beetje door de tijd.

Voor wie erdoor geïnspireerd raakt of ze niet durft betreden (dat bestaat), voor wie ze ontwerpt en restaureert, voor wie eronder schuilt of erop stilstaat, zijn bruggen emotie. Dit is een verhaal over de bruggen van Brussel voor flaneurs en buurtbewoners, voor beleids- en erfgoedmensen, voor alle “amoureux de la ville” zoals Michel Provost, bruggenautoriteit in Brussel, het formuleert. Door één facet van de stad te belichten, leren we vele facetten van de stad kennen. Met als leidraad iets van Herman Teirlinck: “Brussel kennen is een genot dat, met de kennis, steeds aangroeit.”

Cijfers?

Bruggen tellen is niet zo simpel, het hangt ervan af hoe je een brug definieert. Is het een brug of een tunnel, een overbrugging of een viaduct? Infrabel beheert in het Brussels gewest alleen al 293 spoorbruggen (waarover een trein rijdt) en 232 overbruggingen (waaronder een trein rijdt) (hier zitten al dubbels bij) en 49 tunnels. Brussel Mobiliteit beheert een 70-tal bruggen van gewestwegen. De kanaalbruggen worden gemeenschappelijk beheerd door de Haven van Brussel en Brussel Mobiliteit. Verder zijn er nog de bruggen van de gemeente, en de fiets- en loopbruggen van De Groene Wandeling die onder Leefmilieu Brussel vallen. Kunsthistoricus Muriel Muret, verbonden aan de Directie Cultureel Erfgoed, rondt af op een 400-tal bruggen in het Brussels gewest (161,4 km²).

1. Egyptiserend gietijzer

Wanneer je onder de brug van de Gerijstraat [1] in Anderlecht rijdt, kan het gaan wemelen voor je ogen. Daar zorgen de vele zuiltjes voor, twee rijen van eenentwintig exemplaren. De ranke pijlers in gietijzer lopen uit in kapitelen in papyrusvorm. Even wanen we ons in een antieke tempel.

Belgische ingenieurs legden vanaf de negentiende eeuw tot in Egypte spoorwegen en -bruggen aan, maar bij deze brug kwam Egypte naar hier. De spoorwegbrug uit 1911 in het verlengde van de Paapsemlaan is een van de weinige bouwwerken waar de egyptomanie van toen nog in het openbaar te zien is.

Het komt ook niet vaak voor dat Egyptische en art-nouveau-elementen worden gecombineerd. De zuilenrijen lopen optisch verder langs het brugdek waarop een leuning in rozetvorm te zien is. Vooral voetgangers en fietsers die het FietsGEN-pad volgen valt de ‘verbluffende esthetiek’ op waarvoor de brug in 1995 als monument werd beschermd.

De spoorwegbrug over de Gerijstraat [1] werd gebouwd onder leiding van ingenieur Marcel Castiau. Hoewel de brug met maar liefst zeven sporen zwaar torsen lijkt voor de sierlijke zuiltjes, vervullen ze hun taak nog prima. Ze zijn nu eenmaal van gietijzer en wel degelijk functioneel. Patrick Viane, bestuurslid van TICCIH (The International Committee for the Conservation of the Industrial Heritage) zou er een zone 30 zien zitten: “De meest Egyptisch uitziende brug van het land is dan wel gered, de verkeersafwikkeling en de situatie voor zwakke weggebruikers is daar een hel.”

Vandaag worden de tweeënveertig goudgekleurde pijlers overschilderd in het oorspronkelijke blauwgrijs en de gemetselde gewelven vernieuwd. Het daglicht dat via de lichtschouw tussen de twee brugdekken binnenkomt, wordt op die manier beter verspreid in de zuilengangen.

Het is niet de enige brug met zuilen die aan een tempel doet denken. De Sobieskibrug [2] in Laken steunt ook op gietijzeren kolommen, met Korinthische kapitelen, maar daar zijn er maar acht van.

2. Premières in Molenbeek

Een voetgangersbrug kan zozeer deel uitmaken van iemands dagelijkse routine, dat ze zelfs nog koppig betreden wordt op het moment dat ze wordt losgezaagd. Er kwamen gelukkig geen ongelukken van toen de oude Gosseliesbrug [3] uit 1944 over het kanaal in Molenbeek werd weggenomen. Ze werd vervangen door een voetgangers- en fietsbrug van het ingenieursbureau Greisch Bgroup. Deze laat een doorvaart toe van schepen met een lading van drie containers hoog. Ook hier was al begankenis terwijl er nog dranghekken stonden.

Historisch is de loopbrug tussen de Godshuizenbrug en de brug van de Ninoofsepoort een specialleke. “De eerste loopbrug liet directeur van de ateliers van spoorwegmateriaal François Pauwels in 1865 aanleggen. Zijn honderden werknemers hadden geen excuus meer om te laat te komen wanneer de bruggen opgehaald waren.” Aan het woord is Brukselbinnenstebuitengids Joris Sleebus, die geschoold is als technisch ingenieur. Hij kan leven met de sloop van de oorlogsbrug omdat de nieuwe veel mooier is: “Als er geen schepen zijn, zal de U-vormige brug gewoon aan de kade liggen, en ook in hoge positie blijft ze toegankelijk, want dan worden de opgehaalde kanten trappen”. Ook Jef Vandamme, schepen van openbare werken (sp.a) in Molenbeek is enthousiast over het ingenieuze liftsysteem: “een unicum in België”. Een levende brug erbij, zoals Jean Boterdael van Molenbecca ze noemt, niet omdat ze van lianen gemaakt is, maar omdat het een mobiele brug is, zoals de Godshuizenbrug [4] en de Budabrug [5]. Dan was de vorige Gosseliesbrug veel banaler. Toch was dit oorlogsbrugje evenzeer een première voor België. Ze werd in 2001 nog bestempeld als ‘van nationaal belang’ in de publicatie Brussel, In de voetsporen van de bouwkundig ingenieurs (o.l.v. David Attas en Michel Provost, CIVA en ULB). Ze was namelijk de eerste brug in voorgespannen beton die in België in gebruik werd genomen. Dat was toen een nieuw soort gewapend beton waarbij de ‘wapening’ onder trekkracht in het beton wordt geplaatst waardoor er minder staal nodig is. De Franse ingenieur Eugène Freyssinet kreeg het patent op dit spanbeton, maar het waren de Belgische aannemers Blaton die samen met ingenieur Gustave Magnel de grote promotors waren. Via Universiteit Vlaanderen kan je nog een les over ‘zelfhelend beton’ meepikken van ingenieur Didier Snoeck, die verbonden is aan het Laboratorium Magnel voor Betononderzoek (UGent) (https://www.universiteitvanvlaanderen.be/college/hoe-maak-je-een-brug-die-nooit-instort). Magnel is beroemd voor zijn Walnut Lane Memorial Bridge in Philadelphia, in 1951 de eerste brug in de Verenigde Staten gebouwd volgens dit principe.

Olifanten

Van Brussel Mobiliteit mocht het Brusselse architecten- en ingenieursbureau Origin de losgemaakte Gosseliesbrug [3] onderzoeken nadat ze was overgebracht naar een terrein aan het kanaal. Een kraan plaatste er telkens een extra last van anderhalve ton bovenop. Hoelang zou het brugdek weerstaan? Met meetapparatuur onderin, die het niet zou overleven indien het plots doormidden brak, werd het doorbuigen geregistreerd. Ook meetlat en papier kwamen er aan te pas om de minuscule scheurtjes op te volgen. De verzamelde ingenieurs waren het er na 58 zakken van 1,5 ton steenmateriaal – vijf keer het berekende laadvermogen – over eens: “Ça tient, de techniek diende om olifanten te laten overlopen”.

“Het grondige onderzoek van de Gosseliesbrug [3] heeft aangetoond dat een oud kunstwerk in voorgespannen beton nog altijd heel efficiënt kan zijn. Dergelijke bouwwerken hun tijd nog laten uitzingen kan een positieve bijdrage zijn aan een duurzame stad,” is het besluit van Origin.

In het Brussels gewest zijn voorgespannen bruggen van het eerste uur de brug aan de Keizerslaan [6] boven het Gerechtsplein, en drie spoorwegbruggen van de Noord-Zuidverbinding in de Marollen. Je vindt ze terug in de Rogier Van der Weydenstraat [7] (al in 1942 getest) en de Huidevettersstraat [8] (beide in het verlengde van de Spiegelstraat) en in Nieuwland [9]. De onderkanten van alle drie bruggen hebben plafondschilderingen (van le 10ème art, 2Shy en Miles, en Patrick Croes (Parcours Streetart, 2018)). Zo zijn we weer een beetje terug bij de ‘tabliers expérimentaux de la rue du Miroir’ zoals deze bruggen toen werden genoemd.

3. De superieure Vierendeel

Voor de inwoners van het gehucht Waterhoek is de komst van de brug over de Schelde niets anders dan “het werk der destructie”. Zo staat er te lezen in De teleurgang van den Waterhoek uit 1927 van Stijn Streuvels. Net als de bastaard Mira dragen de brug en de steenweg die het Avelgemse gehucht Waterhoek doormidden zullen snijden “het vreemde” in zich. Een groot contrast met Maurice, de assistent van de professor die de brug ontworpen heeft. Hij is dronken van opgetogenheid als hij voor het eerst de vierendeelbrug ziet in de gieterij van het Walenland. Nergens wordt de professor bij naam genoemd, maar Streuvels verwijst naar Arthur Vierendeel (Leuven 1852-Ukkel 1940) die twintig jaar eerder een nieuw type ligger had bedacht voor bruggen en andere dragende structuren.

Vierendeel moest in het begin nogal wat scepsis overwinnen. Zijn dak voor het toenmalige Koninklijk Circus in Brussel was zo licht dat niemand er gerust in was. Die ongerustheid verdween pas nadat een regiment grenadiers in de zaal moest applaudisseren totdat het dak naar beneden zou komen, wat het niet deed. Dankzij de vierendeelligger kon in de Sint-Suzannekerk in Schaarbeek zo’n grote ruimte zonder pijlers overbrugd worden.

De superioriteit van zijn brugligger werd in 1897 proefondervindelijk bewezen in het Park van Tervuren. De spoorwegbruggen uit de jaren 1920-1930 en de wegbruggen over het Albertkanaal uit de jaren 1930-1950 zijn allemaal van dat type. Oud-professor Michel Provost (ULB-BATir) demonstreert het principe aan de hand van een schaalmodel: “Zonder versterking buigt een brug door bij tegenkrachten. Ofwel zet je de vakken van de ligger vast met diagonalen, wat de vakwerkligger genoemd wordt, ofwel zet je de hoeken van de vakken vast, wat Vierendeels vondst was, en een sterkere brug opleverde.” Streuvels beschreef het nieuwe type brug aan de hand van wat er weggelaten werd: “zonder dwars- of kruisgeleding die er als valse schijne van kloekte en vastheid konden gemist worden”.

De laatste vierendeelbruggen in het Brussels gewest zijn de dubbele spoorwegbrug over het kanaal in Anderlecht [10] uit 1932 en de spoorwegbrug in Laken [11] uit 1942. Een van de Anderlechtse bruggen werd zwaar beschadigd in de Tweede Wereldoorlog, maar kon dankzij haar robuustheid nog worden hersteld.

De eerste?

Overal lees je dat de eerste vierendeelbrug in België in 1906 werd ingewijd in Avelgem. Toch bestond er al in 1898 een vierendeelloopbrug over de Dender in Geraardsbergen. Nadat ze door het terugtrekkende Belgische leger op 18 mei 1940 werd vernield, is ze nooit meer heropgebouwd. In Avelgem ligt intussen al een derde exemplaar dat het gehucht Waterhoek (of Rugge) met Ruien (Kluisbergen) verbindt. Deze rode brug heeft nu een boogvorm, maar het is nog altijd ‘een vierendeel’. Erbovenop kan je dankzij de typisch grote gaten onbelemmerd naar de Scheldemeersen kijken. Verwar ze niet met de ‘Mirabrug’ in Durme (Hamme), waar zich enkel de verfilming (‘Mira’) van Streuvels’ roman afspeelde (en die ook geen vierendeelbrug is).

Ingenieur Laurent Ney van het Brusselse Ney & Partners zet zijn illustere voorganger in perspectief: “Arthur Vierendeel is de bekendste ingenieur van België en wereldberoemd. Hij heeft wel zijn initiële concept aangepast, de eerste liggers waren gewoon ‘lijntjes’ (tekent de brug van De teleurgang van den Waterhoek). In Laken is er nog een erg verzorgde spoorwegbrug [11], met mooi gebogen lijnen. Vierendeelbruggen zijn echter niet efficiënt omwille van het zware materiaal. Metaalmoeheid is een probleem, ze gaan doorhangen door de druk.”

Veel fotomateriaal van vierendeelbruggen in binnen- en buitenland is te vinden op de website van Karel Roose http://users.telenet.be/karel.roose/vierendeel/vierendeel.html.

Ook nadat de brug er gekomen is, blijft de veerman in De teleurgang van den Waterhoek hardleers ingebeelde reizigers heen en weer varen, verwachtend “ieder ogenblik de ongedaante achter zijn rug, in een rammeling van ijzer en steen, te horen neerdonderen.” Het water eronder trekt er zich allemaal niets van aan, schrijft Streuvels met zijn voelsprieten voor de eeuwige tijd: “haar water dreef er kalm onder door, als voorheen”.

4. Bekroonde vallei

Op de Gray-Kroonbrug [12] in Elsene kan je zowel de IT ‘zwarte’ Toren aan de Abdij Ter Kameren, The Hotel op de Kleine Ring, als de Triomfboog en de Museumhallen van het Jubelpark zien. Dichterbij lijken de huizen van de Brouwerijstraat (op de ‘Zwaenenberg’) wel bovenop die van de Graystraat gebouwd. In de diepte kan je aan de gebogen Graystraat nog de loop van de vandaag overwelfde Maalbeek aflezen. Aan de voet van deze brug, in de Gray- en in de Kerckxstraat, zie je pas hoe imposant deze brug is met haar gemetselde landhoofden en het tongewelf waarop het brugdek steunt. In 2015 werd de Gray-Kroonbrug [12] uit 1880 als monument beschermd als enige niet-metalen brug van de vijf geklasseerde bruggen in het gewest. Voor de restauratie van de lantaarns uit 1910 kwam de gedetailleerde weergave van de schilder Jacques Rouvez van pas.

De brug geldt als een van de meest representatieve bakstenen bruggen die in de tweede helft van de negentiende eeuw werden gebouwd. Vergelijkbare bruggen in het gewest vind je nog in de Fraiteurlaan [13] in Elsene, de Stallestraat [14] in Ukkel en aan het Arcadenplein [15] in Watermaal-Bosvoorde. Treinhalte Arcaden op de mooie art-nouveauspoorwegbrug is genoemd naar haar bogen.

Op de vraag hoe ze in die tijd aan een dergelijke brug begonnen, antwoordt Brusselkenner Erik Baptist eerst: “Van beneden af.” Toch zal een vaste bekisting aanbrengen voor een rond booggewelf met een draagwijdte van 11,20 meter op een hoogte van ongeveer 20 meter een behoorlijk hachelijke onderneming geweest zijn. Toch even in perspectief zetten. De Göltzschdalspoorbrug in Duitsland uit 1851 is een halve kilometer lang en 78 meter hoog, verdeeld over vier verdiepingen van 98 gewelven. Dergelijke gemetselde bruggen worden vandaag ook niet meer gebouwd omdat er veel grondstof en arbeidsuren inkruipen.

Het fotoboek Correspondance (2010) van de Brusselse fotograaf Gilbert Fastenaekens laat zien hoe de stad op een eeuw tijd evolueerde. De Gray-Kroonbrug [12] raakte gaandeweg verstopt door nieuwe huizen. Eric de Kuyper noemt het hier in Een passie voor Brussel (1995) nog een mengeling van pretentieloze industriële architectuur en verwaarloosde landelijkheid. Op huizenjacht ging hij ooit kijken naar een pand aan de Kroonlaan: “Het was een half vervallen, landelijk herenhuis met een grote tuin, die via allerlei terrassen, plateautjes en weggetjes bijna loodrecht naar de lager gelegen rue Gray dook. Het was een fantastische wildernis. Maar het leek er op dat het niet echt te koop was. Men vertelde dat er pornofilms werden gemaakt, maar nu is het een taleninstituut.”

Hangende tuinen

De Gray-Kroonbrug [12] was een idee van ingenieur Victor Besme, weginspecteur van de voorsteden van Brussel en bekend van zijn Besmeplan uit 1866. Dat was het eerste manifest over stedenbouw in het Brusselse gewest waarin hij onder meer voorstelt om de Troonstraat te verlengen met de Kroonlaan om het Koninklijk Paleis in rechte lijn te verbinden met de Militaire Laan (de huidige Generaal Jacqueslaan). De brug, eigenlijk een viaduct want ze heeft meerdere overspanningen, moest de vallei overbruggen die door de Maalbeek was uitgesleten. Ze had naar haar beroemde ontwerper kunnen vernoemd worden. “Niemand heeft vandaag de macht van een Victor Besme en, achter de schermen, koning Leopold II,” zegt Baptist: “Besme ontwierp en was opzichter. Vandaag wordt er overlegd tussen meerdere bruggenbazen van het gewestelijke Brussel Mobiliteit, Infrabel en de gemeente. Rechtstreeks en onrechtstreeks beslissen er wel tweehonderd mensen mee.”

Ondanks Besmes werkwijze ‘bouleverser les montagnes et les jeter dans les vallées’ voel je vandaag nog onverminderd de kracht van de natuurlijke vallei. De eclectische huizen op de Kroonlaan die aan de brug grenzen zijn met hun hoofdgevel en hun erkers naar de vallei georiënteerd. Hun hangende tuinen reiken tot helemaal beneden in de Graystraat. De belle-époquewijk wordt op een van de vier hoeken wel ontsierd door het monolitische appartementsblok van Residentie Gray-Couronne. Het is een “woonzorgcentrum met uitzicht over de stad”, al kan je je afvragen of zorgbehoevende mensen niet meer hebben aan een wereld dichtbij. Beneden aan dit woonzorgcentrum komen er in het kader van het Wijkcontract Maalbeek Entre-deux-ponts een fietslift die de Graystraat met de Kroonlaan zal verbinden, een openbaar parkje, en een gebouw voor een fietswerkplaats en ateliers. Er kwam al een trap naast de Gray-Kroonbrug en een gedeelde tuin waar tomaten en Oost-Indische kers groeien (Wijkcontract Malibran 2004-2008). Het is jammer van de mooie bedoelingen en materialen, maar de trap is een dumpplaats voor troep. Een van de tags is wellicht activistisch: “La vie est belle”.

5. Ontgonnen land

In de film Waste Land (2014) van Pieter Van Hees is er een scène waar een agent zijn zoontje leert schieten onder de Jubelfeestbrug [16] in Laken. Op de achtergrond is ook nog de brug van de Clessestraat [17] te zien. Het terrein van het voormalige goederenstation Thurn en Taxis met de buiten gebruik gestelde spoorlijnen zag er in 2014 nog zo’n woestenij uit als in het gedicht The Waste Land uit 1922 van T.S. Eliot. Een ideaal decor dus voor de hoofdrolspeler met dezelfde ‘levensonwil’ (woord van vertaler Paul Claes). Ook in Image (2014) van Adil El Arbi en Bilall Fallah is de brug het decor van een onderonsje schieten.

In Bellevue/Schoonzicht, of de nieuwe kunst van het wandelen (Koen Peeters, Kamiel Vanhole, 1997) verschaften de twee wandelaars-ambtenaren zich er ook al toegang: “Veertien miljoen goudfranken had de stad er destijds voor neergeteld, maar hoe verder onze rapporteurs erin doordrongen, hoe meer ze zich in de brousse van Brussel waanden. Vuilboom, brem en uitgebrande seinhuisjes. Hier hadden onkruid en grassen het bewind weer overgenomen, even stommelings als onstuitbaar. Het was paradijselijk, Philippe en Robert genoten intens. Ze voelden zich twee Russen in de steppe. (…) De grond veerde onder hun voeten, alsof ze op een dikke laag asse liepen.”

Vandaag is de Jubelfeestbrug [16] het symbool van uit zijn as verrezen land vol levenskracht. In de spoorwegvallei, die destijds door mankracht werd uitgegraven, kwam intussen het 20 hectare grote Thurn en Taxispark van landschapsarchitect Bas Smets. De Gare Maritime (de oude stationshallen) wordt herbestemd en er komt nieuwbouw om te wonen en te werken. Leefmilieu Brussel en de Vlaamse overheid (Herman Teirlinckgebouw) verhuisden al naar de site.

Eerst was de lokale boerderij Parckfarm er al helemaal organisch gegroeid. De Jubelfeestbrug [16] vormt er mee het decor, samen met de serre, de moestuintjes, de broodoven en al de kleurtjes van mensen die deelnemen aan duurzame en verbindende activiteiten. Op de taluds onder de brug spelen kinderen die zich vuil mogen maken.

Stadsverenigingen zoals het platform TouTpubliek en Bral onderhandelen over meer sociale woningen, genoeg openbare ruimte en ook over een valleigevoel met een gevrijwaard zicht op de Jubelfeestbrug [16].

De treinsporen zijn verdwenen, maar geven vandaag nog altijd richting aan de wandeling die leidt naar nog een derde brug aan de Demeerstraat [18]. Op de muurschildering aan de Jubelfeestbrug [16] van tekenaar Peter Willems amuseren mens en dier zich in een bruggenlandschap. Een echte stripmuur met Jommeke wat verder in de Lokvogelstraat toont de Clessebrug [17] zelfs heel herkenbaar.

Bovenop de Jubelfeestbrug [16] is de skyline van de Manhattan-wijk goed te zien. Begin de jaren zeventig moesten twaalfduizend inwoners van de Noordwijk plaats maken voor kantoortorens op sokkels, zowat het omgekeerde van ontgonnen land… “Waar eens de Noordwijk was,/geen brug, maar wel/een passerelle/die steriele torens/verbindt.” dicht Eddy Van Nieuwenhuyzen. Het is vandaag een wijk waar Patrick Delperdange (Impressions de Bruxelles, 2013) zich klein voelt: “j’ai l’impression d’être devenu un de ces petits personnages de plastiques qu’un architecte place dans une maquette de travail.”

Elegant

Wat doet de Jubelfeestbrug [16] eigenlijk hier? Ze werd in 1904 aangelegd over de spoorlijnen van het goederenstation Thurn en Taxis. Dit nieuwe economische hart van Brussel deed de twee lanen die de brug verbindt, de Jubelfeestlaan in Molenbeek en de Emile Bockstaellaan in Laken, snel verstedelijken. Ook het afgesloten spoorbrugje naast de Redersbrug [19] over het kanaal in Laken getuigt nog van de verbinding tussen Thurn en Taxis en de Willebroekkaai. Hier leende Train World Heritage (NMBS) een industriële stoomlocomotief met ketelwagen uit aan de Haven van Brussel zodat de spoorbrug nu een soort museumbrug is.

De Jubelfeestbrug [16] werd door hoofdingenieur van de spoorlijnen Frédéric Bruneel ontworpen in een tijd dat ingenieurs nog bezig waren met esthetiek. Het metalen brugdek rust op gemetselde landhoofden en veelhoekige pijlers in blauwe steen. Op de brug staan vier zuilen in gepolijste, roze graniet waaraan oorspronkelijk smeedijzeren lantaarns hingen. De hoge, smeedijzeren balustrade met art-nouveaumotieven is vervangen.

De Grand Pont of Monumentale brug zoals ze ook werd genoemd is sinds 2007 een beschermd monument. “Op technisch gebied was de Jubelfeestbrug [16] geen vernieuwende brug, maar op stedenbouwkundig gebied leert ze ons heel wat,” zegt ingenieur Michel Provost: “Het moest een majestueuze brug worden, met een doorwrochte decoratie en structuur. We zijn hier namelijk in de buurt van het Koninklijk Paleis, waardoor de brug buitengewoon elegant is. Hier kwamen wijken die bijna koninklijk te noemen zijn, met een aangepaste brug om op te flaneren. De Clesse- of Dubrucqbrug [17] verderop kreeg al een industriële look, met een vakwerkligger boven het brugdek.” Onder geen enkele brug zou Provost willen slapen, maar als het toch moet, dan het liefst in het park onder de Jubelfeestbrug [16].

6. “Heeft de brug identiteit?” Interview met bruggenbouwer Laurent Ney

De zwierige bruggen en luifels van het Brusselse ingenieursbureau Ney & Partners lijken de natuurwetten te tarten. Het maakt nieuwsgierig naar die meesterlijke controle en natuurlijk ook naar de man die het potlood vasthoudt zelf.

Als kind bouwde de Luxemburgs-Belgische Laurent Ney (1964) nochtans geen bruggen: “Ik wilde vliegtuigen bouwen. Vogels boeiden mij, alles eigenlijk wat géén contact met de grond had. Dat is misschien een van de redenen waarom mijn bruggen ‘vliegen’. Ik ben met een ingenieursopleiding begonnen om vliegtuigen te kunnen ontwerpen. Vandaag beperkt het bouwen van een vliegtuig zich voor een ingenieur echter tot het ontwerp van een bout, terwijl ik de totale controle wilde. Ik schoof daarom op in de richting van architectuur waar infrastructuur nog die totale controle vereist. Daarin zijn bruggen de eerste divisie, dat is het hoogste niveau in architectuur.”

In De Kruissleutel (1978) van Primo Levi is de figuur Libertino Faussone monteur geworden om de bouwplannen van de wereld te kunnen zien: “ik heb altijd gedacht dat bruggen het mooiste werk zijn wat er is. Omdat je zeker weet dat je er niemand kwaad mee doet, integendeel, je doet er goed mee, want over bruggen gaan wegen en zonder wegen zouden we nog wilden zijn (…) maar sinds ik die brug in India heb gemonteerd, denk ik ook dat ik graag had willen studeren en dat ik als ik gestudeerd had waarschijnlijk ingenieur zou zijn geworden, maar dat ik, als ik ingenieur was, alles liever zou doen dan een brug ontwerpen (…) In het dorp van mijn vader had je dan ook een gezegde: ‘kerktorens en bruggen, laat die maar bouwen door je buren’. In ons dialect rijmt dat.”

Laurent Ney ís afkomstig van buurland Luxemburg. Voor de oprichting van zijn eigen bureau in 1997 in Watermaal-Bosvoorde was hij zes jaar in de leer bij wereldvermaard bruggenbouwer René Greisch (1929-2000). Het ingenieursbureau Études Greisch in Oudergem (met hoofdkantoor in Luik) werkte mee aan het viaduct van Vilvoorde en het prestigieuze viaduct van Millau in Frankrijk, met haar 343 meter voorlopig de hoogste brug ter wereld.

Mijlpalen in de evolutie van Ney’s bureau, met ondertussen ook kantoren in Namen, Luxemburg en Tokio, zijn volgens hemzelf De Oversteek over de Waal in Nijmegen en vooral de Tintagel Castle Footbridge voor English Heritage in Cornwall. Het ontwerp van Ney & William Matthews Associates werd gekozen uit 137 ontwerpen uit 27 landen. De loopbrug verbindt op een spectaculaire wijze het vasteland en het eiland met de ruïnes van een kasteel waar koning Arthur zou verwekt zijn. Ze bestaat uit twee uitkragingen (een eenvoudige uitkraging is een duikplank) die elkaar in het midden net níet raken. Zo wil de brug de verbinding markeren tussen realiteit en de legende van koning Arthur, heden en verleden.

De Brusselse Ney-bruggen zijn de voetgangersbruggen in Laken (Fransmanbrug, 2003) [20], Schaarbeek (Berenkuil, 2014) [21], en twee op het netwerk De Groene Wandeling in Sint-Lambrechts-Woluwe (Stokkelbrug, 2003) [22] en in Sint-Pieters-Woluwe (2011). Bij deze laatste, de Woluwebrug [23], over de Tervurenlaan aan het Trammuseum (Museum voor het Stedelijk Vervoer te Brussel (MSVB)), is de stalen boog zowel steunpunt voor het brugdek als trap. De brug rust op landhoofden in gewapend beton die werden ingewerkt in negentiende-eeuwse imitatierotsen (sierbeton). In 1972 werd hier de spoorwegbrug van de lijn Tervuren-Leopoldwijk afgebroken nadat de laatste reizigerstrein er al in 1958 was voorbij gebold. Ook na de ontmanteling van de brug heette het hier nog steeds ‘de brug van Woluwe’. Vandaag wordt de nieuwe Woluwebrug [23] intensief gebruikt door wandelaars, lopers, fietsers en zelfs door iemand die al wandelend een boek leest. De brug stelt duidelijk gerust.

Dialoog

“Bij bruggen ga je de dialoog aan met de materie in plaats van met de vakpers architectuur. Je kan niet anders dan werken met de natuurwetten, tegenwerken is geen optie,” zegt Ney. “Moeder Natuur verdient respect – vroeg of laat vindt ze elke zwakte in een brug”, dixit monteur Faussone. “In de overspanning kan je wel het verschil maken,” zegt Ney: “Er zijn bureaus die prachtige sculpturen afleveren, maar leuningen en ondergronden die ondermaats zijn. Mensen zijn vandaag veel meer met levenskwaliteit bezig, en infrastructuur en mobiliteit zijn daar een onderdeel van. Verbindingswegen en -plekken zullen altijd bestaan, zelfs als er geen auto’s meer zullen rijden.” De ondergrond van de Tintagel Castle Footbridge bijvoorbeeld bestaat uit leistenen zonder mortel, net zoals de typische muurtjes in deze streek waar leisteen gewonnen werd.

“Van ingenieurs hoor je vaak dat bruggen ontworpen worden voor een levensduur van 100 jaar, maar er zijn bruggen uit de jaren 1960 die nu al versleten zijn door het gebruik van minderwaardige materialen of het gebrek aan onderhoud. De Pont du Gard, die eerst een aquaduct was, bestaat bijna 2000 jaar. Er zit zelfs geen mortel tussen de stenen. De brug dankt haar sterkte aan het materiaal, maar ook aan de kennis van hoe krachten op elkaar inwerken. Die lelijke betonnen bruggen voor de hogesnelheidstrein tussen Brussel en Parijs zijn er gekomen omdat TUC Rail een monopolie heeft in België. Het is alsof er hier geen nieuwsgierigheid bestaat naar hoe het kan. In België is er ook geen overlegcultuur. Administraties gaan er verkeerd van uit dat mensen tegen infrastructuurwerken zijn. Het wekt natuurlijk ergernis op als er dan plotseling werken uit de lucht komen vallen. Bij de Lentloperbrug in Nijmegen (waarvoor Ney de Gouden Medaille Gustave Magnel won, AD) was er een brainstorm met de bewoners nog voor er iets op papier stond. Na twee weken kwamen we dan met de eerste tekeningen en werd er veel beter begrepen waarom we bepaalde ideeën wel of niet konden uitwerken. In België hebben administraties schrik om in dialoog te gaan.”

Voetgangersbruggen

De brug over de Stokkelsesteenweg [22] op De Groene Wandeling heeft een vezelachtige ondergrond waarop het zacht lopen is. We wanen ons in Vegetal City (2009) van visionair architect Luc Schuiten waar bruggen gemaakt zijn van art-nouveau-elementen én echte planten. “Zo futuristisch is dat niet”, volgens Ney: “In India bestaan er bruggen waar ze de wortels van bomen in elkaar vervlechten.” Aan zijn Stokkelbrug [22] moest de massieve Douglas boomstam wel vervangen worden door een stalen exemplaar, voor Ney was het leergeld over materialen. Meestal gebruiken Ney & Partners staal en beton, maar houten of geprinte bruggen sluiten ze niet uit: “Energetisch zijn geprinte bruggen nog erg veeleisend, maar 3D in bruggenbouw zal steeds meer voorkomen, daar moet ik misschien werk van maken.”

Op zijn Fransmanbrug [20] dein je een beetje mee, alsof je de stad binnenvaart op een knalgroen stalen schip in deze wat grauwe, dichtbevolkte woonbuurt. Ney’s brug over de Berenkuil (Eugène Verboeckhovenplein) [21] is ook een plek om te spelen en te blijven zitten.

Voetgangersbruggen moeten vast mooier zijn omdat er zo’n direct contact is? “Is de brug sterk genoeg om identiteit te hebben?” is de vraag die Ney zich liever stelt: “Je kan je niet laten leiden door mooi en lelijk, want dan doe je waarschijnlijk altijd hetzelfde, omdat je ervan uitgaat dat je wel weet wat mooi is, dat je die code bezit. Ik heb daar geen beelden bij,” – “als een werkstuk goed doordacht is, het vanzelf mooi wordt.” (die Faussone!)

“Ingenieurs zijn uiteraard niet neutraal hoewel dat nog altijd zo wordt ervaren,” zegt Ney: “Je creëert objecten die een omgeving fundamenteel kunnen veranderen, en dat geldt zeker voor een brug. Voor een loopbrug is er bovendien veel aanvaarding van de omwonenden nodig. Het wordt hún brug. De Fransmanbrug [20] in Laken was een moeilijk geval. Zoals overal in Europa sneed het negentiende-eeuws spoor dwars door bestaande straten. Daarom loopt de Fransmanstraat dood op het spoor. Er werd dan maar een brugje over geplaatst, dat na honderd jaar aan vervanging toe was, maar de context bleef dezelfde. Een beperkte ruimte en allerlei vereisten zoals twee meter hoge leuningen en een maximale hellingsgraad voor fietsers.”

Geen lasagne

“In de negentiende eeuw werd er voor elk deelprobleem een oplossing gezocht. Een ontwerp was dan de optelsom van al die deeloplossingen. Bij oude bruggen zie je staven langs alle kanten. Het is een ‘lasagne’ van oplossingen. Met ons bureau doen we het omgekeerde. Bij Ney is het geen laag bouwkunde met een laag architectuur erbovenop. Je kan niet een goed technisch verhaal hebben en een slecht architecturaal verhaal. We proberen met één ontwerp alle functies te integreren. De voetgangersbrug De Lichtenlijn (2008) in Knokke-Heist is zowel een fietsverbinding tussen de Zeedijk en de polders, als een sterk visuele toegang tot de stad. Historisch waren bruggen ook een soort poorten waar tol moest betaald worden.”

Bruggen bouwen gaat gepaard met een grote verantwoordelijkheid en met veel geld. Hoe gaat Ney daarmee om? “Eigenlijk kan je dat maar volhouden zolang er ideeën in je hoofd opwellen. Om me op te laden, moet ik kunnen tekenen, me ontwerper voelen. Een ontwerp is als een soort puzzel, alle stukken moeten op hun plaats vallen. Alles wat daarbij geen nut heeft, moet weg. De vorm wordt gecorrigeerd om met zo min mogelijk materiaal efficiënt te zijn. En efficiëntie is schoonheid, toch voor bruggen.”

7. Starring Albertbrug

Wie doet de Albertbrug [24] met de twaalf betonnen bogen, net op het grondgebied van Haren, nog eens schitteren? Rij eens de Leeuwoprit of de Zénobe Grammelaan uit voor het effect in de voorruit. Een filmscène. “The Bridge” heeft er iemand op een van de bogen geschreven. Die Zweeds-Deense televisiereeks is genoemd naar de imposante tuibrug over de Sont die Kopenhagen met Malmö verbindt.

Deze brug over de sporen en de Vilvoordselaan verbindt Schaarbeek met Haren (Brussel). De Albertbrug [24], Leeuwoprit of Leeuwenbrug uit 1925 speelde een rol in de film Brussels by Night (1982) van Marc Didden. Hij voerde de brug later nog eens op in zijn boek Een gehucht in het moeras (2013): “Schaarbeek is voor mij eerst en vooral mijn brug, die officieel de pont Albert heet, maar die ik de Hortabrug noem omdat ik meen te weten dat de legendarische architect Horta hem gebouwd heeft, en als hij dat niet gedaan heeft, had hij dat zeker wel moeten doen.” Ook in de film Le Monde Nous Appartient (2012) van Stephan Streker bevindt zich een hoofdpersonage bovenop een boog van de Albertbrug [24], Himmel-über-Berlingewijs, als een engel. Het andere hoofdpersonage heeft ook ‘zijn’ brug, de Jubelfeestbrug [16].

Infrabel, dat de Albertbrug [24] beheert, zal ze met zijn eigen ingenieurs en architecten ten vroegste in 2022 vervangen, waarschijnlijk door een kopie in staal: “Door de zwaardere verkeersbelasting van vandaag en de lage betondekkingen beantwoordt ze niet maar aan de huidige eisen. De metalen delen van het gewapend beton zijn beginnen roesten. De waterdichting werd al vernieuwd om erger te voorkomen. De brug heeft een ideale structuur die rekening houdt met de beperkte hoogte tussen het wegdek en de bovenleidingen. Deze vorm zou dan ook terugkomen.”

Het is niet zeker of het licht dan even mooi als nu zal strijken langs de hoekige bogen van beton. We lanceren daarom een oproep om deze brug een filmrol te geven. De ganse buurt spreekt tot de verbeelding met de afvalverbrandingsoven, de ontelbare sporen van het voormalige vormingsstation, het kanaal, de zeiljachthaven Bruxelles Royal Yacht Club en een stuk Zenne in openlucht.

Het is de enige brug uit Brussel die werd opgenomen in het boek Van industrie tot erfgoed (Paul Berckmans e.a., Bestuur voor Monumenten en Landschappen, 1989) en uit de kwalitatieve afdrukken van de fotograaf G. Charlier merk je de appreciatie. Toen Brussel Deze Week jaren geleden erover berichtte dat ze gesloopt zou worden, kwam er commentaar over hoe schoon én lelijk ze is. Het is duidelijk een brug die beroert. In Train World aan het voormalige station van Schaarbeek heb je vanachter de glazen wand zicht op de Albertbrug [24]. Het is geen toeval dat ze daardoor in een vitrine lijkt te staan.

Soms lees je dat de bogen louter versiering zijn, maar ze zijn wel degelijk functioneel. Eigenlijk zijn het twee onafhankelijke bruggen van het type bowstring (arc-tirant) waarbij de brugdekken worden opgehangen aan de bogen die op hun beurt door de brugdekken worden getrokken. Een gelijkaardige brug vind je bijvoorbeeld nog in Moeskroen, uit 1920 en in een betere staat nog, maar minder kolossaal omdat er slechts vier bogen zijn. In Brussel is er een moderne bowstringbrug uit 2007 in de Mouterijstraat [25] in Elsene, met buisvormige bogen in metaal.

In de film The Bridges of Madison County (1995) maakt Robert (Clint Eastwood) voor National Geographic een fotoreportage over de overdekte bruggen van Madison County (Iowa). Een post-it op een van die bruggen triggert een liefdesgeschiedenis. Tijd om een post-it op te hangen met erop ‘Albertbrug’.

Ter inspiratie

Misschien de langste achtervolging in één take, 5 minuten en 31 seconden, werd opgenomen voor The French Connection (1971), waarin Gene Hackman onder een metrobrug brugpijlers en de obligate kinderwagen moet ontwijken. Dankzij Hitchcocks The 39 Steps (1935) zagen veel mensen voor de eerste keer een van de spectaculairste bruggen ter wereld, de Forth Railway Bridge uit 1890 in Schotland. In de kortfilm In de vlucht/Histoire d’un homme pressé (1996) van Alex Stockman zijn tal van herkenbare Brusselse gebouwen te zien. De man loopt ook langs de met leeuwenmanen versierde Vlaamsepoortbrug [26]. De overdekte brug aan het hoekgebouw in art deco van de voormalige brouwerij Vandenheuvel [27] in Molenbeek figureert in Belgische films als The Invader (2011) en Bxl-Nord (2013). In Le Tout Nouveau Testament (2015) foetert God aan de Sainctelettebrug [28].

Een film kan het bruggentoerisme op gang brengen. Dat gebeurde al met The Bridge on the River Kwai (1975), de ‘Harry Potter Bridge’ of het Glenfinnan Viaduct in Schotland en de tv-serie Hinterland (2013), waar een van de verhalen draait rond de Devil’s Bridge dichtbij Aberystwyth in Wales.

We mogen toch eens wegdromen in het café bij de Albertbrug [24] dat weer niet naar zijn brug vernoemd is en waar er weer geen oude foto’s van de brug aan de muur hangen. Aan de twee spoorbruggen (met bogen/arcaden) aan het Arcadenplein [15] in Watermaal-Bosvoorde was er destijds trots een Café-Brasserie des Viaducs. In Ukkel-Kalevoet was er aan het begin van de Jan van Nijlen-weg ooit een café gekend als ‘Bij Nelle onder de brug’. Wanneer je ter plekke gaat kijken (te subtiel voor Google Earth), zie je op de gevel van de nrs. 40 en 42 van de Sint-Jobsesteenweg nog vaag het opschrift ‘Au grand pont – De grote brug’.

8. Monumenten van elke dag

Op de portalen van de Royal Albert spoorwegbrug in Engeland staat in grote letters: “I.K. Brunel Engineer 1859”. In Brussel niets daarvan. Mocht Émaillerie Belge voor elke brug een glanzende plaat mogen bakken met daarop haar naam of die van haar ontwerper, zou de bekendheid van deze constructies sterk toenemen.

We kennen onze bruggen slecht. Waar zouden we meer kennis over bruggen opdoen? We kunnen snuisteren in de online inventaris van het bouwkundig erfgoed van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (www.irismonument.be), maar helaas is die nog onvolledig.

De expo ‘Een sterk staaltje van engineering’ in het CIVA en het boek dat er de aanleiding voor was, Brussel, in de voetsporen van de bouwkundig ingenieurs (o.l.v. David Attas en Michel Provost, 2011, CIVA en ULB) waren een uitstekende poging. Links en rechts vind je uitgaven als Ponts métalliques belges (2016) (Thema& Collecta, ICOMOS Wallonië-Brussel vzw), masterthesissen en zo verder. Conclusie van erfgoedspecialist Patrick Viaene: “De informatie is onvolledig en erg versnipperd. Een globale, goed onderbouwde inventaris ontbreekt. Brussel (evenals Vlaanderen en Wallonië, AD) staat ver van de degelijke overzichten per brugtype of constructietechniek die worden afgeleverd door de Nederlandse Bruggenstichting.” Die organiseert elk jaar zelfs een heuse Bruggendag. Na de instorting van de Morandibrug in Genua op 14 augustus 2018 was een van de onderwerpen ‘Hoe ver zijn wij van Genua verwijderd?’

Niet representatief

Van de ongeveer vierduizend bouwwerken die in het Brussels gewest als monument beschermd zijn, zijn er slechts vijf bruggen. Het zijn de spoorwegbrug van de Gerijstraat [1] in Anderlecht, de Gray-Kroonbrug [12] in Elsene, en drie exemplaren in Laken: de Sobieskibrug [2], de Jubelfeestbrug [16] en de Chambondoorgang [29] aan de muur met Tiny en Poeffie (meer een tunnel). Deze doorgang is het werk van de architect-decorateur Alban Chambon die ook de Triomfbruggen Graaf de Smet de Naeyer in Oostende ontwierp.

Verder zijn er nog geklasseerd: een stukje stadswal dat over de Zenne trok in de Anspachlaan, het brugje in de Crabbegatweg [30] in Ukkel en de rustieke bruggen in beschermde parken. Zo is de voetgangersbrug naar het kasteel in Watermaal-Bosvoorde [31] die Marie Solvay in 1905 bestelde, nu gelegen in het Tournay-Solvaypark, uitgevoerd in het toen vooruitstrevend gewapend beton. De Rotsbrug [32] in het Ter Kamerenbos (Brussel) is misschien de spectaculairste imitatierots (rocaille) van België. De wegbrug over de Floralaan overspant een diepe ravijn. Haar architect Édouard Keilig noemde het een van de moeilijkste onderdelen van de tuinkunst.

Interesse voor het bruggenerfgoed kwam er pas na de oprichting van de Brussels gewest in 1989, volgens kunsthistoricus Muriel Muret (Directie Cultureel Erfgoed, het vroegere Directie Monumenten en Landschappen). De bescherming van de Sobieskibrug [2] in 1996 was een direct gevolg van de inventaris van het industrieel erfgoed in 1993-1995 door La Fonderie (dat de inventaris van Archives d’Architectures moderne (AAM) actualiseerde). Het lijstje beschermde bruggen is volgens Muret echter lang niet representatief door het ontbreken van een volledig bruggenregister met evaluatiecriteria. Zeker meer metalen spoor- en kanaalbruggen verdienen erkenning. Nu het gewest zich voor de kanaalzone interesseert, zou dat maar logisch zijn.

Een vijftal op vierduizend: zijn bruggen het kneusje van erfgoed? “Bruggen zijn vanzelfsprekend,” oppert Patrick Viaene: “Ze vallen pas op als ze door wegenwerken onderbroken zijn. Elke brug heeft nochtans een eigen verhaal. Dat oude bruggen aanpasbaar kunnen gemaakt worden aan de hedendaagse noden en Europese normen is bewezen met de spoorwegbrug in de Gerijstraat [1], maar aan de aanpassingswerken ging heel veel discussie vooraf.” Brusselgids Joris Sleebus geeft nog een andere verklaring: “Architectuur is meer gevoelsmatig. Al goed dat er vijf bruggen geklasseerd zijn. Wie kijkt er om naar de tunnels, die mollenpijpen?”

Bruggen op de verlanglijst

Welke bruggen verdienen het nog om geklasseerd te worden? Een rondgang bij de specialisten. Volgens Muriel Muret is de gerestaureerde Budabrug [5] in Neder-Over-Heembeek (Brussel) niet bedreigd, maar ze als monument klasseren zou haar technische waarde en functie als landmark bevestigen. Deze imposante ophaalbrug gaat tot 33 meter omhoog. Ze werd in 1935 gebouwd ter hoogte van de intussen gesloopte cokesfabriek Cokeries du Marly (nu is er het postsorteercentrum New Brussels X van Bpost), en heropgebouwd na de oorlog in 1955. Het was eerst een spoorwegbrug op initiatief van de privé-spoorwegmaatschappij Société du Chemin de Fer Industriel (CFI).

Hoe dikwijls de brug opgehaald wordt, komen we te weten van de kapitein van de Haven van Brussel Herman Philippe: “Jaarlijks moet de Budabrug [5] omhoog voor 4300 schepen opwaarts en voor 4100 schepen afwaarts. De vrije hoogte is beperkt. Alleen roeiboten, kajakken en vissersboten kunnen er onderdoor varen. De Godshuizenbrug [4] in Molenbeek, ook een hefbrug, moet omhoog voor 845 schepen opwaarts en voor 780 schepen afwaarts.” Verder stroomafwaarts is de gelijkaardige Willebroek- of Vredesbrug wel als monument beschermd. In het liedje ‘De Brug van Willebroek’ somt Wannes Van de Velde op wat hij zoal gemist heeft omdat hij aan de hefbrug werd opgehouden, zoals een afspraak met Jane Fonda en een royaal diner in Laken!

De brugdekken die tijdens het wachten zichtbaar worden dienen in Rotterdam als canvas voor poëzie. Aan de onderkant van de Mathenesserhefbrug werd daar het eerste bruggedicht geschilderd: “hier ben je aanwezig – daar ga je naartoe” (Daniël Dee). Je kan in Rotterdam een heuse bruggedichtenroute volgen.

Patrick Viaene is voorstander om het viaduct van de noord-zuidverbinding een beschermde status te geven: “Het spoorwegviaduct over de Zuidlaan [33] is niet alleen van kapitaal belang elke dag van het jaar, de geklinknagelde brug is ook erg beeldbepalend voor de omgeving.” Het is een cantilever- of gerberliggerbrug, met liggers die een uitstekend gedeelte hebben, waartussen dan weer een gewone ligger rust. Je kunt dit verbindingsstuk met het blote oog zien aan de onderkant van de brug. Op zondagvoormiddag misschien eens naar zoeken wanneer de brug het decor van de Zuidmarkt is. Mango’s, paprika’s en de brug die de Brusselse kunstenaar Jean Glibert rood verfde. De bouw van het Zuidviaduct was al in 1909 begonnen, maar het werd pas in 1952 door koning Boudewijn ingehuldigd. Daarvoor kwam in 1935 zelfs een Nationaal Bureau voor de Voltooiing der Noord-Zuidverbinding (NBV) aan te pas.

Guido Vanderhulst, de vorig jaar overleden ‘redder van Thurn en Taxis’ en stichter van La Fonderie en Brusselfabriek, zag graag de twee losse, monumentale pijlers van de oude vierendeeldraaibrug [11] over het kanaal in Laken beschermd. Ze liggen naast de nog gebruikte vierendeelbrug uit 1946, wat het ook voor Adriaan Linters van de Vereniging voor Industriële Archeologie (VVIA) de ideale plek maakt om er het verhaal aan op te hangen van Arthur Vierendeel. Op een informatiebord (van port.brussels en van visit.brussels) naast het kanaal staan de oude en de nieuwe brug vermeld, maar er is geen enkele verwijzing naar Vierendeel. “Zonder verhaal blijft erfgoed een mooie, maar lege doos,“ zegt Linters, een van de oprichters van Interpret Europe, de Europese vereniging voor ‘heritage interpretation’. In het verlengde van deze oude spoorlijn, op het kruispunt met de Paleizenstraat over de bruggen, staan nog twee arduinen obelisken overeind met gevleugelde treinwielen met een kroon.

De koene vierendeelbruggen van Anderlecht [10] en Laken [11] krijgen trouwens unisono bijval. Toch heeft het gewest ze nog niet beschermd. Een lange vierendeelspoorbrug in Vorst werd in 2002 nog afgebroken. Een schaalmodel ervan kan je in Train World zien. Geen alleenstaand geval, zegt Viaene: “Zelfs de unieke Scheepsdalebrug uit 1932 in Brugge, de laatste vierendeeldraaibrug van heel West-Europa die nog perfect werkte, moest er in 2010 aan geloven en werd vervangen door een gedisproportioneerde brug. De ene na de andere overheid stak zijn paraplu op. Het protest van erfgoedorganisaties (VVIA, SIWE, TICCIH) mocht niet baten.” In Grammene (Deinze) is het in de jaren 1990 nog gelukt de vierendeelbrug over een oude Leiearm te behouden die de NMBS zou ontmantelen. Ze kwam uiteindelijk op haar beslissing terug en sindsdien heet de brug Lorenzobrug, naar Laurent ‘Lorenzo’ Vanhaesebroeck, die de bezieler was van de reddingsoperatie.

Hoewel Michel Provost bescherming niet altijd een goed idee vindt, omdat het lange discussies bij renovatie kan uitlokken, maakt hij toch een uitzondering voor twee fragiele bruggen. Het zijn de metalen brugjes over de Zenne aan het industrieel archeologische eilandje aan de Aa- en de Bollinckxstraat in Anderlecht. Het ene overspant de Zenne en het andere een aftakking [34] die volgens Guido Vanderhulst in Le quartier d’AA et ses ponts (2015) al in de veertiende eeuw door een molenaar werd uitgegraven. Door middel van ventielen kon hij het debiet afstemmen op zijn watergraanmolen. Het was een ‘brugmolen’ omdat de maalinrichting boven de stroom was gebouwd. Later liep het water van de afgeleide Zenne onder de wolspinnerij D’Aoust door, hier aanwezig van 1887 tot 1984, meteen de laatste textielfabriek van Brussel. “Dit uitzonderlijke erfgoed is in het gewest de laatste getuige van het gebruik van hydraulische energie. De gemeente overwoog om bescherming aan te vragen, maar het bleef aanslepen omwille van de perimeter van het landschap. Ik ga dit voorstel herlanceren,” zei de tot op het einde strijdvaardige Vanderhulst.

9. Kunstwerken?

Bruggen worden door ingenieurs ‘kunstwerken’ genoemd. Dat is niet omdat ze per se een kunstervaring willen oproepen, al doen sommige dat wel en andere overduidelijk niet. Ingenieur Michel Provost wijst naar zijn scherm: “Die bruggen van de autosnelweg Brussel-Doornik hebben toch echt geen stijl, en die voor de TGV Brussel-Parijs langs de autostrade zijn bijna allemaal middelmatig. Hoewel het een bochtig traject is, werd toch met rechte stukken gewerkt, en hier en daar dan maar een stuk aangeplakt.” Als we het gesprek op de bruggen in Brussel willen brengen, zal Provost meer dan eens over gracieuze voorbeelden élders beginnen: “Neem nu de voetgangersbrug Mativa of ‘Hennebiquebrug’, naar de Belgische pionier van gewapend beton, over het Afwateringskanaal Luik. Wat een gratie, en al uit 1905.”

Bruggenbouw is zowel kunst als wetenschap, lees je al in de titel van David Blockley’s Bridges. The science and art of the world’s most inspiring structures (2012). In de TED-lezing ‘Bridges should be beautiful’ (2018) (te zien op YouTube) heeft brugontwerper Ian Frith het zelfs over de plícht om bruggen mooi te maken: “Er moet een synergie zijn tussen bouwkunde en architectuur. Niemand zal zich de kostprijs herinneren, maar wat lelijk of saai is, blijft lelijk of saai, het is een soort vandalisme op grote schaal.” Een van de goede voorbeelden die hij aanhaalt is de Tintagel Footbridge – ontworpen door het Brusselse Ney & Partners – die in juli van dit jaar officieel werd geopend aan de ruige kust van Cornwall.

Spektakel

Diepe ravijnen hoeven hier niet overbrugd, al zijn de Gray-Kroonbrug [12] in Elsene en ook de Rotsbrug [32] in het Terkamerenbos aan de voet best indrukwekkend. Een jogger tegen de achtergrond van de Rotsbrug zet de mens in perspectief. Ook lange bruggen vinden we doorgaans mooi, viaducten dus, met meerdere overspanningen. Met zijn smal riviertje en relatief smalle zeekanaal is Brussel geen bruggenstad zoals Parijs, Londen of Budapest. Of New York natuurlijk met zijn beroemde Manhattan Bridge, Brooklyn Bridge en 59th Street Bridge (of Queensboro Bridge) waarop Paul Simon op een ochtend inspiratie vond voor ‘The 59th Street Bridge Song (Feelin’ Groovy)’.

Boven de Sainctelettebrug [28] liep tot 1984 wel het anderhalve kilometer lange Rogierviaduct (Leopold II-viaduct/Viaduct van Koekelberg). “Zo zit men soms uren opgesloten op de verhoogde autobaan in het Brussels centrum als er een of ander misloopt op het Rogierplein. Het absurde wreekt zichzelf”, schreef Renaat Braem, die niets had met viaducten noch tunnels, in Het lelijkste land ter wereld (1968). Het verkeer gaat vandaag onder in plaats van boven de Sainctelettebrug [28].

Het betonnen viaduct werd in 1979 nog gedeeltelijk vervangen door elementen in staal vooraleer het in 1984 werd afgebroken. In 1988 werden deze elementen samen met nog andere van het Jacqmainviaduct naar Bangkok verscheept. De Thai-Belgian Bridge is daar nog steeds. Aan een ander viaduct, het Reyersviaduct in Schaarbeek, werd in 2015 een heus afbraakfeestje gehouden. Dat staat het Hermann-Debrouxviaduct in Oudergem ook te wachten.

Als kind maakte Eric De Kuyper de werf van de noord-zuidverbinding mee: “Maar wat een feest had kunnen zijn – bruggen in de straten! – werd een ontgoocheling. Hij dacht meteen aan die van de Steenweg op Etterbeek en van de rue Gray [12]. De paar bruggen werden niet in het stadsdeel geïntegreerd; ze waren functioneel, meer niet. De stad was vergeten hoe ze haar eigen gekte met krullerige architectuur en eigenzinnige stedenbouw kon vieren.” (Een passie voor Brussel, 1995)

De spoorbruggen inspireren schrijvers ook vandaag nog. David Van Reybrouck wordt in zijn roman Slagschaduw (2015) getriggerd door het hotel dat tegen het spoorwegviaduct [33] plakt (vermoedelijk hotel Le Chandelier waar de gasten elke tien minuten de treinvibratie voelen, AD): “Het straatje was overwelfd door een spoorwegviaduct. Hoog tussen de huizen zag je de treinen van Centraal naar Brussel-Zuid rijden. Er was net genoeg plek om een halve wagon te zien voorbijglijden, alsof de stad een raampje had getimmerd.” In Impressions de Bruxelles (2013) bestelt het personage van Évelyne Wilwerth een wijntje in het cultureel centrum Brigittinen: “Soudain un train passe devant moi, à ma hauteur. Je le regarde, immobile sur mon siège. Un autre train, en sens inverse. (…) Encore un train, de gauche à droite: il semble flotter. Il semble danser. Normal, car je suis dans un lieu de danse.”

Nieuwe lijnen

Enkele nooit uitgevoerde plannen voor Brussel spreken tot de verbeelding. Zo werd in 1896 het idee gelanceerd van een luchtgalerij van 888 meter voor trams en voetgangers tussen de Anspachlaan en de Koningsstraat. Een jaar later was het een viaduct voor trams van maar liefst vier kilometer lang en vijftien meter breed tussen het Poelaertplein en de hoogvlakte van Koekelberg. In 1986 tekende architect en urbanist Luc Deleu, gekend van zijn containerbruggen in Nederland, samen met T.O.P.-office plannen voor de HST-lijn (Hogesnelheidstrein) in Brussel. ‘Europe Central Station’ zou hoog op pylonen boven de noord-zuidverbinding lopen. De bedoeling was een grotere leesbaarheid van het spoor in de stad. Tegelijk zou het kunstwerk verwijzen naar de vernieling van de oude stadswijken voor de noord-zuidas, om alert te blijven voor de Europese instellingen die de stad nog maar eens ingrijpend veranderden.

De plannen voor echte lange bruggen bleven in de kast, en dus zullen we in Brussel niet gauw ondervinden of we aan brugvrees of gefyrofobie (van het Oud-Grieks gephura (brug)) lijden. YouTube-filmpjes genoeg met de tien of vijfentwintig most terrifying bridges you don’t want to cross. In de Verenigde Staten kan je op bepaalde bruggen gratis een chauffeur of een politie-escorte krijgen.

Van station Brussel-Zuid vertrekt wel een viaduct (452m) voor de HST-treinen vanuit Parijs en Londen, maar voor wat spektakel moeten we net buiten het Brussels gewest zijn. Het Viaduct van Vilvoorde uit de jaren zeventig is bijna 1700 meter lang en heeft pijlers tot 41 meter hoog. Ga op de spoorlijn Brussel-Oostende in Sint-Anna-Pede ook eens kijken naar ‘de zeventien bruggen’ over de Pedevalei. Dit spoorwegviaduct van 600 meter lang en tot 20 meter hoog dateert nog uit 1929 (en werd recent uitgebreid) en is als monument beschermd. Soms is er ook wat te beleven aan de onderkant. Onder de Brusselse ring (R0/E19) in Anderlecht bevindt zich zowaar een openluchtmuseum. Op honderd brugpijlers langs het Vijverpark hebben kunstenaars zich uitgeleefd in de Hall of Fame.

Ook zonder lange overspanningen kan je de lijn van zogenaamde magere bruggen bewonderen, zoals de Woluwebrug [23] over de Tervurenlaan van Ney & Partners of de Peterbosbrug [35] over de Groeninckx-De Maylaan in Anderlecht van Études Greisch. Provost is hoopvol na de eentonige bruggen uit de jaren zestig en zeventig: “Het is alsof ingenieurs weer beseffen dat ze een verantwoordelijkheid hebben. De Fransmanbrug [20] in Laken van Ney brengt toch wat vreugde in de buurt. Het is alsof bruggen van zeer traditioneel over zeer pragmatisch naar futuristisch zijn overgestapt.”

10. De brug als muze

De loopbrug over het kanaal in Molenbeek had lang geleden de vorm van een boog en de schilder Jean Brusselmans maakte ze nog een stuk steiler. Zijn kolensjouwers en neringdoenders lijken daardoor de brug wel te beklimmen. Het stadstafereeltje is afgebeeld tegen een achtergrond met Sint-Goedele, het stadhuis, het Justitiepaleis en een fabrieksschouw die in 1949 nog een vertrouwd zicht was in ‘Klein Manchester’. Aan de Ninoofsepoort dokkeren paard en kar over de vroegere draaibrug. Ondanks de felle kleuren blauw, rood en geel, en de nadrukkelijke zonnestralen, zijn we voorzichtig met het woord expressief, omdat Brusselmans liever zei dat hij gewoon lijnen, vlakken en kleuren schilderde. Begin twintigste eeuw bestond er in Duitsland wel de groep expressionistische kunstenaars Die Brücke.

Het doek van Brusselmans uit 1949 heet ‘De brug’, maar twintig jaar eerder schilderde hij al variaties. Hier is de rook uit de schoorsteen dikker, daar wordt er een ladder meegetorst, maar telkens is het perspectief hetzelfde en zijn de herkenbare gebouwen van Brussel aanwezig. Op ‘Het bad van de vagebonden’ uit 1936 staat prominent een duikende zwemmer, een herinnering aan de jeugd van Jean Brusselmans toen hij met zijn broer in het kanaal ging zwemmen.

Bruggen hebben schilders altijd geïnspireerd. De sfeer gaat van het romantische Japanse bruggetje van Claude Monet tot de huiveringwekkende Duivelsbrug van William Turner. Op ‘The Revolution of the Viaduct’ uit 1937 van Paul Klee slaan bogen op de vlucht voor de conformiteit van het viaduct, voorbode van de monolithische naziarchitectuur. En wordt de schreeuw van Munch niet voltrokken op een brug?

Liefde

Brussels burgemeester Jules Anspach gaf Jean-Baptiste Van Moer de opdracht vijftien zichten te schilderen die door de overwelving van de Zenne (1867-1871) zouden verdwijnen. Ze vullen nog altijd de wachtkamer van de burgemeester in het Stadhuis van Brussel. Het doet wel wat om de schilderijen – groot! – eens in het echt te zien na alle reproducties op papier en scherm. Er zijn brugzichten bij: ‘Les Puisards du pont de la Carpe’, ‘Pont des Vanniers dit Mannebrugge’.

De auteur Caroline Gravière zag Van Moer bezig: “Assis parmi les décombres, un porte-feuille sur les genoux, le dos appuyé à un pan de mur, bravant la chaleur torride et l’atmosphère malsaine, il travaillait ces croquis que devaient bientôt illustrer notre hôtel de ville (…) Deux sentiments puissants l’aidaient à surmonter les obstacles et les incommodités qui l’assiégeaient: l’amour de l’art et l’amour du pays”.

En wat met die Jetse spoorwegbrug in de De Smet de Naeyerlaan [36] (1905) die duidelijk te zien is op het doek ‘Le Mal du Pays’ (1940) van René Magritte? Volgens journalist Mia Droeshout zou de leunende figuur met de vleugels Magritte zelf voorstellen, reikhalzend vanuit zijn vluchtoord Carcassonne, en de leeuw zijn vrouw Georgette, die niets meer van haar man moest weten en daarom met haar rug naar hem gekeerd ligt. In het boek Le Mal du pays: autobiographie de la Belgique (2003) van Patrick Roegiers lezen we weer een andere uitleg. De man met de vleugels is een Icarus-figuur die wil ontsnappen aan de sinistere jaren van de bezetting. De leeuw, geïnspireerd op de leeuw op de muntstukken, is dan het heraldisch symbool van België. We leggen het voor aan André Garitte van het René Magritte Museum, in het huis in de Esseghemstraat waar René en Georgette op het gelijkvloers woonden: “Het zijn vooral persoonlijke lezingen. Magritte zei zelf dat hij niet houdt van te veel interpreteren, al doet hij dat in zijn brieven zelf ook. Bij Magritte staan aparte elementen ook niet altijd duidelijk ergens voor.” Als een interpretatie te mooi is om waar te zijn, is er nog altijd de uitleg van Magritte zelf: “Tu n’avais jamais vu un homme penché sur le parapet d’un pont, regardant l’eau, et derrière lui un lion? Maintenant, grâce à cette peinture, tu l’as vu.” Onder de brug van Jette loopt ook geen water, maar een spoorweg.

Ook op ‘La Boîte de Pandore’ (1951) is de balustrade van deze Jetse brug te zien, maar met een extra rij gaatjes. In het echt zitten er nog art-nouveauachtige stengels in de ovalen openingen. “Op het doek ‘Le pont d’Héraclite’ (1935) laat Magritte een brug halfweg stoppen,” vult Garitte nog aan, “maar in de weerspiegeling loopt ze verder, een heel goed idee.” Garitte nam het dan ook op in zijn lijst met originele Magritte-ideeën De Magritte Code (2017).

Wanneer je er begint op te letten, vind je wel meer Brusselse bruggen bij Belgische schilders van vroeger en nu. Het stenen brugje in de Crabbegatweg [30] in Ukkel leek wel een ingangsproef tot artistieke middens, als we mogen afgaan op de rist kunstenaars die het afbeeldden: Henri Quittelier, Willem Paerels, Henri Roidot, Louis Thevenet, Ferdinand Schirren. De diep uitgeholde weg geurt zelfs in dit verstedelijkte gewest nog steeds naar aarde.

Zou de hoge spoorwegbrug van halte Arcaden [15] niet als inspiratie gediend hebben voor het schilderij ‘Le Viaduc’ (1963) van Watermaal-Bosvoordenaar Paul Delvaux? Christian Vandermotten van de historische en wetenschappelijke kring HISCIWAB denkt van wel: “Delvaux vermengde echter verschillende elementen uit de realiteit in eenzelfde doek. In elk geval is op ‘Le Viaduc’ naast de spoorwegbrug ook de luifel van het station Watermaal te zien dat vlakbij ligt.” Ook inwoner Didier Van der Noot schilderde deze brug in zijn typisch gloedvol palet. De Vierendeelspoorbrug over het kanaal in Anderlecht [10], een ‘ogenschijnlijk onesthetische plek’, bekoorde dan weer de schilder Veerle Verheylewegen.

In De echo der steden, de beeldkrant van Schuiten en Peeters (De Duistere Steden, 1993) staat het bericht dat een afgeschreven huis per vergissing niet werd gesloopt. Het is aan de ‘vooruitgang’ ontsnapt omdat het wat verdekt onder een gemetselde brug staat. Zou het huis waar vroeger het café ‘De grote brug’ was, gekend als ‘Bij Nelle onder de brug’, aan het spoorwegviaduct van Calevoet model hebben gestaan? Het echtpaar Nierendorf woont er al meer dan twee decennia ongemerkt voort op het ritme van vroeger, met de papieren krant en de koffiepot.

In Brusselse musea

Soms roepen alleen al de titels van de Japanse prenten van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis (KMKG) een hele wereld op: ‘Avondlijke bui op de Imai-brug’ (Kawase Hasui). Hasui’s prent ‘De Kintai-brug op een lenteavond’, met roze kerselaren, heeft een soort tegenhanger in Sint-Pieters-Woluwe. In de Kersentijdstraat (Vriendschapswijk) is er op een zijmuurtje een Japans brugje te midden van de kerselaren geschilderd.

Iedereen weet waar de Lakenbrug [37] is als je erbij zegt “aan het Monument voor de Arbeid van Constantin Meunier”. In de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten (KMSK) worden Meuniers prenten in houtskool van de brug over de Theems bewaard. Nog meer Londen is daar te vinden bij Emile Claus met de Blackfriars Bridge en de Waterloo Bridge in trillend licht. ‘De Minnebrug/Le pont d’amour’ van Adolphe Dillens lijkt deel uit te maken van een overgangsritueel voor koppels.

Ook de gouache ‘Le printemps’ (1911) van Léon Spilliaert behoort tot de KMSK-collectie. Er staan drie vrouwenfiguren op die de stadia van het leven symboliseren, maar ook een ijzeren spoorwegbrug en een stoomlocomotief die de brug nadert. Onderzoeker Erik Baptist meent er de oude brug van Gustave Eifel over de Schelde in Temse in te herkennen. Gaat dit over de voortdenderende tijd? Een van de schilderijen die Alexander Obolensky voor Train World in Schaarbeek maakte, is ‘Hommage à Léon Spilliaert’. De drie figuren staan er niet meer op, wel de vierendeelbrug in Grammene (Deinze) over de Leie, maar verder komen het perspectief en de kleuren overeen, en ook de naderende stoomlocomotief met de rookpluim die in de rivier wordt weerspiegeld.

11. Zennebrugge

Brussel genoemd naar een brug over de Zenne, het had ook gekund. Cambridge is ‘brug bij de Cam’ en Bristol ‘plaats bij de brug’. Hoe klinken Zennebrugge, Pont-sur-Senne? Het werd Broeksele, Brussel, ‘plaats bij het moeras’ en later diende dat dan weer aangepast, ‘Brussel, weeskind van de Zenne’ (Thierry De Mey).

Volgens middeleeuwenvorser Chloé Deligne was de Zenne organisch met Brussel vergroeid. Zo zou je pas op het laatste moment beseft hebben dat je een rivier overstak. Daar kwam een eind aan door de overwelving en kanalisering van de Zenne en de aanleg van de centrale lanen in 1871. Of zoals koning Leopold II het destijds formuleerde: “se débarasser de ce cloaque qu’on appelle la Senne”. In de Zenne werd er weliswaar geloosd, maar de overwelving kwam ook goed uit om schamele arbeiderswijken te slopen. “De mensen hingen, als aan hun ziel, aan hun gangskens en kapellekens, steegjes en carrés. Zij woonden daar opeen, ja zeker, maar zij woonden op het oude, op het eigene, op het hunne, en naar hun goesting,” schreef Herman Teirlinck.

Aan Sint-Goriks kan je vandaag naar een reconstructie van een stuk Zenne gaan kijken, met bebouwing op een brugje, net zoals vroeger (op weekdagen te bezoeken via Sint-Goriksstraat 23) [38]. In het stilstaande water liggen echter blikjes en dode duiven, het lijkt wel de reconstructie van de riool van toen.

In de Anspachlaan werd tijdens renovatiewerken in de jaren negentig zestiende-eeuws metselwerk bloot te liggen. Het is een stuk van de stadswal die hier al in de dertiende eeuw met twee bogen over de Zenne trok. Brusselvorser Erik Baptist toont twee negentiende-eeuwse afbeeldingen van deze brug. Bij de oudste zien we nog een woning met een strandje waar iemand de was doet in de Zenne. Op de jongste is de oude woning vervangen door een industrieel gebouw. Nu kan je er zelf een badje nemen, want het beschermde relict is geïntegreerd in de spa van Hotel Catalunia Grand Place.

Er zijn ook sporen die snel verdwijnen. Brukselgids Joris Sleebus wees ons op restanten van een metalen brug over de Zenne. Aan beide straatkanten van de Koninginnelaan hebben we ze nog gezien, geklinknagelde onderdelen en boordstenen van de oude brug. Hier werd de Zenne pas in de jaren 1930 overwelfd. De oude rivierbedding is nu het Zennepark (Schaarbeek en Brussel) waar je kan fietsen en wandelen. Het is niet moeilijk om je tussen de huizen de Zenne terug voor te stellen.

Uitkijkposten

De bruggen over de Zenne zijn niet overal in het gewest verdwenen, de rivier is dat namelijk ook niet. De Zenne werd negen kilometer overwelfd, maar een vijftal kilometer, weliswaar in verschillende stukken, stroomt ze nog aan de oppervlakte.

Als je in Anderlecht aan de bedrijvenzone Riverside vertrekt, kom je stroomafwaarts op een brugje in de Internationalelaan. Hier stroomt de rivier nog tussen natuurlijke oevers onder een gemetselde spoorwegbrug. Enkele jaren geleden moest je je hier nog illegaal toegang verschaffen, maar nu kan je gewoon een aangelegd pad volgen, en ook nog steeds de geur van de vlinderstruik. Door de uitbreiding van de sporen voor het Gewestelijk ExpresNet (GEN) zijn de treinen minder zichtbaar geworden. Zou je vanuit het treinraam nog wel een glimp van de Zenne kunnen opvangen? Via het overstort, de Sluis van Anderlecht en de Aakaai kom je terug aan de Zenne in de Bollinckxstraat. Hier herinneren twee plaatliggerbruggen [34] aan het industriële eilandje dat hier werd gevormd door de Zenne en een aftakking. De Zenne duikt hierna de Industrielaan onder om weer boven te komen aan de Paapsemlaan waarlangs ze bijna een kilometer in openlucht stroomt. Je moet het weten, al geeft het groen een aanwijzing. Leefmilieu Brussel doorbrak de steile rivieroevers met een natuurlijk plateau om meer plantensoorten te laten gedijen. Ook paden en uitkijkposten worden aangelegd om zo dichter bij het water te kunnen. In deze buurt met veel verkeer is dat welkom. Terug naar de gloriedagen van de Paapsemlaan ten tijde van de café-laiteries toen je er boterhammen met platte kaas en radijzen kon eten?

Ter hoogte van de Eiland Sint-Helenastraat is er nog een vakwerkbrugje [39] dat nu niet toegankelijk is, maar waarvoor Michel Provost van Origin een restauratie à l’identique voorstelt. De vergelijkbare Pont Saint-Nicolas over het historische Centrumkanaal in Houdeng kan dienen als voorbeeld. Tussen de Paapsemlaan en het Zuidstation is de Zenne moeilijker te volgen tussen de vele bedrijven en spoorbundels. In een doodlopende straat achter Bruxelles Formation Logistique vonden we de rivier terug naast een bedrijfsgazon dat geel, wit en paars kleurt van de wilde bloemen. Wat een potentieel voor rustzoekers, dit stuk Zenne van nog eens een kilometer. Ze wordt opnieuw overwelfd achter de gebouwen van Philips en Telaron in de Tweestationsstraat (vanuit de trein richting Brussel-Zuid kan je de Zenne lokaliseren door te zoeken naar het Philipsgebouw en de bomen te zoeken). Wie vlakbij de verstikkende spoorbrug onderdoor moet – 25 sporen boven je – tussen de Veeartsenstraat en de Fonsnylaan [40], kan niet geloven dat de Zenne vlakbij stroomt. Iemand heeft met een spons in het groot “Le mal propre” in het vuil op de muur onder de brug geschreven. Dat is de titel van een werk van de Franse filosoof Michel Serres (Le mal propre: polluer pour s’approprier? (2008)). Mooi hoe we zo op zijn L’art des ponts (2013) gekomen zijn. Hij schrijft over de Pont du Gard die mooi oud is geworden en andere materiële bruggen, maar ook over immateriële bruggen zoals taal die de ruimte tussen jij en mij overbrugt, of het schrift dat de tijd overbrugt. Overbruggen is volgens Serres simpelweg het project van de Homo pontifex. Pas na de Van Praetbrug [41] in Laken komt de Zenne weer even boven, maar het is vanaf de Budabrug [5] in Neder-Over-Heembeek (Brussel) dat ze weer een echte rivier kan worden.

12. Op brugexpeditie

Volgens sommigen behoort de brug over de Jan Sobieskilaan [2] in Laken tot de charmantste van het gewest. De Sobieskibrug met opschrift ‘1906’ werd dan ook gekozen als brug in de animatie voor Uefa Euro 2020 toen er nog van uitgegaan werd dat ook Brussel gaststad zou zijn. Het idee erachter is dat bruggen, net als voetbal, mensen verbinden.

Onder deze brug ligt een pleintje dat ideaal lijkt om uitleg te geven over bruggenbouw. De gids of leerkracht kan het hebben over de drie structurele functies van een brug, namelijk overbruggen, dragen en schoren (stutten). Elk type brugvorm – liggerbrug, boogbrug, hangbrug of een mengvorm – vervult deze functies. In Cambridge is de Mathematical bridge een houten liggerbrug die op een boogbrug lijkt, het is berekend gezichtsbedrog. Misschien kan de gids een handboek Franse grammatica (Pelckmans) bovenhalen waarop de voorlopig hoogste brug ter wereld, het Millauviaduct in Frankrijk, staat, als om te zeggen dat taal net als een brug aan regels beantwoordt. Oud-ULB-professor Michel Provost noemt de vormen voor overbruggen en voor dragen ook de woordenschat, en de evenwichtsregels zijn dan de grammatica.

De ingenieur van de Sobieskibrug [2] Paul Christophe ontwierp datzelfde jaar ook de bruggen van de Haachtsesteenweg [42] en de Helmetsesteenweg [43] in Schaarbeek. Bij de Sobieskibrug [2] rust de geklinknagelde ligger op acht Korinthische pijlers in gietijzer en op gemetselde landhoofden. In de bruggenhoofden zijn monogrammen van koning Leopold II vervat, omkranst door eikenbladeren. De koning-bouwer had vanaf de jaren 1870 een deel van zijn terreinen verkocht om er een openbaar park in te richten, het Park van Laken. In zijn regeerperiode kwamen er in Laken ook grote lanen zoals de Sobieskilaan en de De Smet de Naeyerlaan. De Sobieskibrug [2] diende om dit nieuwe Laken met het prille Park van Laken te verbinden. De brug wordt ook de Koloniale Brug genoemd omdat ze leidde naar de Koloniale Tuin, waar de exotische planten uit Congo naartoe werden gebracht voor ze verhuisden naar de Nationale Plantentuin van Meise.

Nu rijden er auto’s over, maar toen was ze bedoeld voor koetsen en wandelaars. Op een postkaart zie je er ook nog de donkerbruine ‘tram chocolat’ over rijden. Van de Sobieskilaan stap je via een monumentale trap in blauwe steen de brug op in de Witte Acacialaan. Het is een overdekte trap zodat er tegenwoordig al eens een wietwolk blijft hangen. Er is een balkon dat uitkijkt over het Sobieskipark, koninklijk domein van weleer, en het Princes Clementinepark.

De lantaarns op de brug zijn uitgevoerd in brons, te zien aan de vergroening, en er is ook een identificatieplaatje ‘Exécution métallique Compagnie des Bronzes Bruxelles’ in Molenbeek. Dat was de eerste nationale bronsgieterij. Vanaf 1983 werd er La Fonderie ingericht, een documentatiecentrum en een Museum voor Arbeid en Industrie, maar ooit werden hier de leeuwen van de Congreskolom, de 48 oude ambachten van de Kleine Zavel, de Brabofontein van Antwerpen en het hek rond de zoo van New York gegoten.

De Sobieskibrug [2] werd in 1996 als monument geklasseerd en is vandaag bijna helemaal opgeknapt. De blauwe steen is terug duifgrijs, wat deze stadsvogels goed camoufleert. Dan rest er ons nu nog te schrijden naar het Park van Laken.

13. Onder de brug

De foto van daklozen onder een snelwegbrug in Vancouver van Jeff Wall werd in 1986 gezien als een eigentijdse ‘Le déjeuner sur l’herbe’, maar dan in een minder bevoorrecht milieu. Voor mensen die geen woning hebben, bieden bruggen een dak, je hoeft in Brussel niet ver te lopen om dat te zien. Dichteres Nathalie Delacolette wil nooit in Brussel gaan wonen: “Tu laisses mourir les clochards sous les ponts,/Sur lesquels passent, hautains, des barons/Qui se donnent une image propre et lisse.”

Een door Christo ingepakte brug was hier nog niet te zien, wel een kleine, spontane installatie onder de brug van het Gerechtsplein [6]. Verse bloemen en een dranghek langs een opengespreid laken. Werd hier hulde gebracht aan een van de vele straatdoden van Brussel (62 in 2017)?

Het verslag Onder de brug vond ik mezelf (2018) is geen zelfhulpboek om jezelf te vinden, want de auteur Erik Claus vond er toch vooral miserie in de tien jaar dat hij in Nijmegen als dakloze probeerde te overleven. Loopbaancoach Vréneli Stadelmaier legde in het Radio 1-programma ‘De wereld van Sofie’ op een hilarische manier uit wat het voor mensen met het imposter syndrome (oplichterssyndroom) betekent om eens een keertje te mislukken: “Als ik deze fout maak, dan kan ik wel ophouden, dan beland ik onder een brug, dakloos, depressief, dood!” In Vilvoorde kan je een frietje eten onder een boog van de spoorwegbrug, maar van oudsher is onder de brug gewoon een enge plek. Volgens een oud geloof moet bij de bouw van een brug de watergeesten een offer gebracht worden in ruil voor de verstoring van hun rust. In volksverhalen wordt er daarom goud gevonden in de fundamenten van oude bruggen, en soms zelfs nog wat anders, zo vertelt de brugmonteur in De Kruissleutel (Primo Levi, 1978) “ik heb eens in een boek gelezen dat als ze in de oertijd een brug gingen bouwen, ze een christenmens doodden, of nee, geen christenmens, want die had je toen nog niet, maar goed, een mens, en die in de fundamenten stopten; en later namen ze daar een dier voor; en dan stortte de brug niet in.” Het offer wijst erop dat bruggen bouwen inherent gevaarlijk is.

Het drama speelt zich natuurlijk ook bovenop de brug af. Zoals in ‘Ode to Billie Joe – Tallahatchie bridge’ van Bobbie Gentry uit 1967, om maar de meest hartverscheurende song te noemen, misschien omdat het nieuws van de zelfdoding bijna achteloos tussen de zwarte bonen en de appeltaart wordt verteld. In de cover van Joe Dassin is de plek des onheils voor ‘Marie-Jeanne’ de Pont de la Garonne en de appeltaart is een gratinschotel. Vrolijker gaat het er aan toe in ‘Sur le pont d’Avignon’, waarschijnlijk de eerste brug die in de twaalfde eeuw gesponsord werd door het broederschap van bruggenbouwers, de frères pontifes. Het was wel nauwkeuriger geweest om ‘sous le pont’ te zingen, want er werd gedanst in de herbergen, en die stonden aan de voet van de brug.

Onder de Lakenbrug

De Franse klassieker ‘Sous les ponts de Paris’ uit 1913 is vertaald als ‘Onder de Laekenbrug’. Als je eenmaal de live uitvoering hebt beluisterd op de website van de folkgroep Wreed en Plezant, krijg je de melodie van Vincent Scotto niet meer uit je hoofd. Jean Rodor schreef de Franse tekst, de auteur van de Nederlandse versie is onbekend. ‘Onder de Laekenbrug’ gaat, trouw aan het origineel, over wat het dag- en zelfs maanlicht niet mag zien: Maar ik weet toch, mijn lieve klein/een plaatske voor ons t’amuseren/En daar en zal de maneschijn/ons toch niet komen derangeren.

Het zijn speelse, maar ook schrijnende taferelen die plaatsvinden onder de brug, zoals het refrein aangeeft:

Onder de Laekenbrug

Als de nacht komt terug

Ziede veel sukkeleers die daar gaan slapen

want de police zal hun daar niet oprapen

Ze beven van de kaa

Z’hebben honger daarbij

Ze zijn in ’t droog als de nacht komt terug

Onder de Laekenbrug

Dat van alle bruggen in Brussel net de Lakenbrug [37] of de Jules de Troozbrug (aan het gelijknamige plein) werd gekozen voor de vertaling, geeft ze Parijse allure. Van 1880 tot 1940 waren dat nog twee bruggen (vanaf 1904-5 ophaalbruggen). In een boek over Oud-Laken staat bij een open brug: “De voetgangers wachtten geduldig, op de doorvaart van een schip. Gelukkig waren onze grootouders nog niet het slachtoffer van de nervositeit.” Vandaag is het een vaste brug met twee tramlijnen en maar liefst acht rijvakken waar je in de file nog steeds geduld mag oefenen. Aan weerskanten zijn er sinds 2000 loop- en fietsbruggen die ook intensief gebruikt worden. Het burgerproject Au bord de l’eau (ObdlO) zorgt hier voor een verademing. Volgens Brussel Mobiliteit komen er vanaf 2020 ook zogenaamde fietsonderbruggen, net zoals onder de Sainctelette- en Van Praetbruggen. Zo zullen fietsers enkele drukke kruispunten kunnen vermijden. De Gewestelijke Fietsroute (GFR) Kanaal moet een van de belangrijkste verkeersaders voor fietsers worden.

Na de oorlog deden variaties de ronde: ’t Was onder de Laekenbrug, dat men den Duits versloeg. Oud-Brusselaar Geert Van Istendael herinnert zich uitbundige oudejaarsfeesten waar het lied in koor werd gezongen, waarbij er ook een ondeugender versie weerklonk: Onder de Loêkebrug/lag zij op uiren rug,/bintsjes waaid aupen/en broekske geschuid,/ge moo nie vroêge wat es er gebuid./Jefke doo maa ni sier/’t Is maainen ieste kier.

14. Bruggen zijn mensenwerk

Eén filmpje krijgen alle ingenieurs in opleiding ter wereld te zien voor de lessen fysica die eruit getrokken zijn. Er is veel kans dat je het ook al op YouTube zag, want voor de Tacoma Narrows Bridge (Washington) in 1940 instort, zwiert de hangbrug vijf minuten lang heen en weer. Dankzij Barney Elliott van de plaatselijke camerawinkel zijn de beelden in ons collectief geheugen beland. De oorzaak lag uiteindelijk bij het ‘zelfopwekkend klapperen’. De verhalen van de brugmonteur in De Kruissleutel (1978) van Primo Levi herinneren ons eraan dat bruggen niet alleen bedacht en berekend worden, maar ook uitgevoerd. Zo legt hij uit dat om een grote brug in India te kunnen bouwen er eerst loopbruggetjes worden gehangen waarvan de eerste kabel met een vlieger naar de overkant gaat. En als ze instorten, dat de verantwoordelijkheid achterhalen zeer moeilijk is: “de lassers zeiden dat de monteurs niet konden monteren, de kraanbestuurders zeiden dat de lassers niet konden lassen, en allemaal gingen ze tekeer tegen de ingenieur en hadden alle mogelijke kwaads van hem te zeggen, dat hij staande sliep en geen bliksem uitvoerde en het werk nooit goed had georganiseerd. En misschien hadden ze allemaal wel een beetje gelijk, of misschien had ook niemand gelijk, want ook daarmee is het een beetje als met mensen: (…) als iemand doodgaat, of als een constructie bezwijkt, dan moet daar een reden voor zijn, maar het is niet gezegd dat het er maar één is of als het er maar één is, dat je die ook kunt vinden.”

Voor een brug in gebruik wordt genomen, wordt met volgeladen vrachtwagens of treinstellen gemeten of de doorbuiging binnen de vooropgestelde marge valt, een kwestie van millimeters (de belastingsproef). Of zoals Caspers vader uit Casper en Hobbes (Bill Waterson) aan zijn zoon uitlegt: “Ze rijden er met steeds zwaardere vrachtwagens overheen totdat de brug instort. Dan wegen ze de laatste vrachtwagen en bouwen de brug opnieuw.”

Een brug krijgt behalve het eigen gewicht, verkeer, wind, ook soms liefdesslotjes te verduren. In Parijs moesten de ontelbare cadenas d’amour van de voetgangersbrug Pont des Arts verwijderd worden wegens instortingsgevaar. “Nos ponts ne résisteront pas à votre amour”. Het gebruik gaat misschien terug tot de veertiende eeuw toen er al hangsloten aan de Ponte Vecchio in Firenze werden gehangen. De nieuwe rage kwam er wellicht door de roman en verfilming van Ho voglia di te (2007). In Brussel moet je goed zoeken, maar er hangen toch enkele liefdesslotjes aan de borstwering van de Woluwebrug [23] over de Tervurenlaan. Het is de bedoeling dat de geliefden het sleuteltje dan in de rivier gooien, maar het lijkt toch niet slim om dat in de drukke Tervurenlaan te doen.

Bij de restaurateur

Het kinderrijmpje ‘Londen Bridge is Falling Down’ wijst op gevaarlijke toestanden. Met het aanvankelijke wiebelen van de Londense Millenium Bridge (2000) werd het rijmpje haast weer actueel. Als er een oudere brug instort, zoals de Morandibrug in Genua op 14 augustus 2018, wordt ook het belang van onderhoud, restauratie en renovatie maar al te duidelijk.

Brussel Mobiliteit heeft haar bruggen en viaducten grondig laten onderzoeken voor haar meerjareninvesteringsprogramma. Ze kregen een letter toegewezen van A ‘gevaarlijke bouwwerken’ tot F ‘bouwwerken zonder gebrek’. De gevaarlijkste waren in 2017 de Klein-Eilandbrug [44], die al voor het wegverkeer werd afgesloten, en de betonnen Van Praetbrug [41], die gerestaureerd zal worden. De Belgische spoorbruggen en -tunnels worden op hun beurt gecontroleerd en periodiek onderhouden door Infrabel. Soms zie je netten als eerste beschermingsmaatregel onder bruggen met ‘evolutieve gebreken’ (Gray-Kroonbrug) of met ‘gebreken van gemiddelde aard’ (Jubelfeestbrug [16]).

In Brussel is Origin Architecture & Engineering gespecialiseerd in de restauratie en renovatie van monumenten, of zoals zij het noemen van ‘storied structures’. Momenteel pakken ze twee vroeg-twintigste-eeuwse bruggen aan op de grens tussen Molenbeek en Laken, de Clesse- of Dubrucqbrug [17] en de Demeerbrug [18]. Ze vormen samen met de beschermde Jubelfeestbrug [16] een geheel en werden ontworpen door spoorwegingenieur Frédéric Bruneel. Vroeger overspanden de drie bruggen een goederenspoorlijn en nu het park Thurn en Taxis.

“Aan de eigenlijke restauratie gaat historisch onderzoek vooraf,” klinkt het bij Origin, “we kunnen veel zeggen van de NMBS, maar Infrabel heeft een behulpzame documentatiedienst. Daarnaast wordt ook onderzocht of de brug in staat is de zwaardere vrachten van vandaag te dragen. We gaan in zee met Ney & Partners die ervaring heeft met bruggen. Zij doen proefboringen om de stabiliteit en de lasbaarheid van bepaalde onderdelen na te gaan.”

We mogen even meeluisteren wanneer Michel Provost en Aurélie Vermijlen van Origin de oude plannen van de Demeerbrug [18] op tafel uitspreiden: “De balustrade in sierlijk ijzerwerk hier werd daar vervangen door gebouchardeerd beton. De borstwering heeft vandaag in het echt een abstracte tekening, misschien is die similipierre niet eens uitgevoerd? Vandaag is de balustrade erg gesloten. Ney zal geneigd zijn om daar een moderne interventie te doen, waarschijnlijk iets met het semi-transparante effect zoals bij verticale lamellen. Ook Leefmilieu Brussel die het Thurn en Taxispark beheert, was voor meer openheid.”

Ook voor een brug waar je achteloos voorbijloopt, werden er dus tot op de centimeter instructies opgetekend. “Te frijnen/à ciseler aan 13 frijnslagen per dm (ribbeltjes)”. Het is de tijd dat zelfs de schrijfletters op de plannen zwierige krullen hadden. Op een van de plannen staat de afdruk van een werkschoen.

Voor wie meer wil weten over deze drie bruggen, verwijzen we naar de masterproef erfgoedstudies van Frances Kannekens: IJzersterke bruggen. Een restauratiestudie naar de drie ijzeren bruggen Tour & Taxis te Brussel. Jubelfeestbrug, Jean Dubrucqbrug en Demeerbrug (Universiteit Antwerpen, 2017-2018).

Dringend

Twee brugjes over de Zenne en een aftakking in de Bollinckxstraat [34] in Anderlecht zijn al decennialang niet meer onderhouden. Het zijn metalen plaatliggerbruggen met I-profielen met een extra hoog lijf (het verticale deel van een hoofdletter i met schreefjes). Mathieu Duhoux onderzocht de impact van de schade voor de stabiliteit van de bruggen voor zijn masterthesis Architectural Engineering aan de VUB (2016-2017). De twee bruggen zijn de enige toegang tot een van oudsher industriële site die vandaag nog altijd door aannemersbedrijven gebruikt wordt. Over de ene brug ligt een tijdelijke brug en de andere is enkel nog voor voetgangers toegankelijk. Ze getuigen ook van een periode van experimenteren met materialen en structuren. Duhoux doet voorstellen om de bruggen zo veel mogelijk in hun originele staat te renoveren. Waarschijnlijk rusten ze op landhoofden die al hergebruikt zijn geweest, wat blijkt uit eerder onderzoek naar de kaptechnieken die dateren uit verschillende periodes. Als je er langsgaat, ontroert het dat er íemand naar deze brugjes heeft omgekeken en alle gaten en vervormingen heeft opgetekend.

15. Brug naar de overkant

Anderlecht en Molenbeek mogen dan grenzen aan Brussel-Stad, gevoelsmatig liggen ze verderaf. Sven Gatz, die in Molenbeek opgroeide, formuleert het in Bastaard: Verhaal van een Brusselaar (2008) zo: “het baken van de Citroëngarage aan de brug die Saincteletteplein en Sainctelettesquare met elkaar verbindt, waar de tectonische platen van het Brusselse en het Molenbeekse continent over elkaar schuren.”

Tijdens Festival Kanal 2010 was er een kopie van Checkpoint Charlie te zien op de Vlaamsepoortbrug [26]. De kunstenaar Emilio López-Menchero stelde met zijn installatie de vraag of het kanaal niet een soort Berlijnse Muur in Brussel was. Ook verder stroomafwaarts in Schaarbeek voelde het kanaal voor Alain Berenboom in Mr. Optimist (2014) als een grens: “Het was een ver, mysterieus, beangstigend gebied, de Far West. Voor niets ter wereld wilde ik me er wagen. Waarom zou ik? Achter het water was niets. Zoals de Antieken geloofden dat de aarde plat was, zo was ik ervan overtuigd dat de wereld achter het kanaal niet bestond, dat er een zwart gat was, het grote niets.” Ook buiten Brussel werden wijken van het centrum afgesneden door de aanleg van een kanaal. De uitspraak “iemand van over ’t water” had veelal een bedenkelijke bijklank.

Diepe kloof

“In het begin was het kanaal wel smaller, zodat het nauwelijks als een scheiding voelde,” zegt Brusselkenner Erik Baptist: “Bij het meermaals verbreden en verdiepen om meer scheepstonnage toe te laten, werd het kanaal wel een breuklijn, zeker toen de industrie er zich kwam vestigen.”

Nog iets anders verdiepte de kloof, zegt Brukselgids Joris Sleebus: “Het kanaal werd gegraven in de Zennevallei die een groot verval kent. In de negentiende eeuw lag het kanaal echter nooit dieper dan twee meter omdat er meer sluizen waren. In het Brussels gewest heb je nu nog de sluizen van Anderlecht en Molenbeek (Ninoofsepoort), maar vroeger waren er ook aan de Vlaamsepoort en Sainctelette. Sedert de afschaffing van die sluizen ligt het kanaal vijf tot zes meter diep, zodat je aan de kade niet meer het gevoel hebt bij een waterpartij te zijn.”

Jef Vandamme volgt als schepen van openbare werken de problematiek al jaren “al zeker omdat ik aan de overkant woon, vanuit het centrum bekeken. Alle studies en beleidsdocumenten wijzen uit dat het kanaal een sociale en fysieke breuklijn vormt tussen het noordwesten en de rest. Vóór het kanaal Brussel-Charleroi was het allemaal meer fluïde, met grote pleinen, zeker toen de stadswallen verdwenen. Molenbeek reikte toen tot aan de Papenvest over het kanaal.” In De thuistocht. Op reis door eigen stad (2020) voelt Sebastiaan De Fooz de grens in zijn onderbuik: “Ik steek een laatste keer het kanaal over. Telkens als ik over een brug loop, heb ik het gevoel dat ik een vloeibare grens tussen verschillende werelden, verschillende realiteiten oversteek. Het is niet alleen een fysieke en geografische grens, maar ook een sociale, culturele en dus emotionele. Ik voel hem door mijn ingewanden stromen.”

Ook de Zenne was volgens historicus Chloë Deligne nooit een breuklijn in de stad, hoewel er nauwelijks bruggen waren: “maar deze bruggen waren zo geïntegreerd in het stadsweefsel, de huizen waren er zo dicht tegenaan gebouwd, dat men zich pas op het laatste ogenblik realiseerde dat men de rivier overstak. In zekere zin betekende de rivier wel een breuk, maar het was een onzichtbare breuk. De stad had haar volledig in zich opgenomen, op een bijna organische manier. De lanen na de overwelving daarentegen vormen een echte dam, een breuk in het stadsweefsel, ook al is hun aanleg veel ‘opener’, ook al zijn ze veel breder en luchtiger en kan men ze op veel plaatsen oversteken.” (Brussel boven water (2007)) Nu een van de centrale lanen, de Anspachlaan, voetgangerszone geworden is, wordt de breuk daar alvast verzacht.

Oplossingen

In plaats van een grens wordt het kanaal stilaan een nieuwe verbindingsas. “Kanaalprojecten worden prioritair,” zegt Vandamme. Meer en meer willen mensen aan de waterkant wonen, kijk maar naar de woontoren Up-site aan het Vergotedok. Om het gevoel van ‘aan het water’ te vergroten werden bij de herinrichting van het Becodok lagere kademuren geïntegreerd. Ook de geplande onderfietsbruggen aan Sainctelette, Trooz en Van Praet passen hierin.”

Een van de oplossingen om sociale kloven te dichten, is fysieke bereikbaarheid stimuleren. Met bruggen dus, maar over sommige wordt al jaren onderhandeld. Om de traagheid aan te klagen creëerde Gijs Van Vaerenbergh in september 2014 voor Festival Kanal een Temporary Bridge. Ze leek op een omgevallen hijskraan (nog te zien in Being Urban. Pour l’art dans la ville Bruxelles (CFC-Éditions, 2016)). Op deze locatie tussen de Aken- en Materialenkaai wordt al vijftien jaar de ‘Picardbrug’ [45] verwacht.

Even op een rijtje – stroomafwaarts – welke nieuwe bruggen Brussel Mobiliteit heeft ingepland. De Klein-Eilandbrug [44] aan de Pierre Marchantstraat in Anderlecht zou in 2020 vervangen worden. Ze is al jaren enkel toegankelijk voor fietsers en voetgangers, en voor buurtbewoners mag dat gerust zo blijven. “Waarom trouwens nog nieuwe autobruggen voorzien, als we met het gewest over tien jaar 25 percent minder verkeer willen?” vraagt Jef Vandamme zich af.

Voor Molenbeek zijn voor dit jaar loopbruggen gepland tussen het Meiniger Hotel (de vroegere Belle-Vuebrouwerij) en de Onze-Lieve-Vrouw van Vaakstraat, en tussen het Graaf van Vlaanderenplein en de Locquenghienstraat. “Totale vertraging: bijna een decennium,” aldus Vandamme. Deze laatste, de ‘Picardbrug’ [45] (voor voetgangers, fietsers, steps, bus, tram) is vandaag in opbouw. Haar definitieve naam is intussen Suzan Danielbrug naar de stichtster van de eerste LGTB+-beweging in België. In Buenos Aires loopt de voetgangersbrug Puente de la Mujer (Vrouwenbrug) (2011) naar een wijk met alleen maar vrouwelijke straatnamen.

Van Damme droomt luidop van nog andere bruggen: “Na de Lakenbrug [37] worden de afstanden tussen de bruggen alsmaar groter. Wie fietst langs de gewestelijke fietsroute (GFR) Kanaal moet enorm omrijden om weer een brug tegen te komen. Een extra brug is ook perfect verdedigbaar als de fietsroute aan het Koninklijk Paleis wordt aangelegd.”

16. Het omgekeerde van grenzen

Er bestaat een oude foto waarop een Duitse schildwacht op de Jubelfeestbrug [16] in Laken heeft postgevat. Is dat het schildwachtje over wie Karel van de Woestijne bericht? Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, was de auteur Brussel-correspondent voor de krant NRC (Nieuwe Rotterdamse Courant). Elke dag liep hij de Jubelfeestbrug [16] in “een voorstad van Brussel” over. Op 3 oktober 1914 noteert hij: “het Duitse schildwachtje, dat mij eveneens iedere dag ziet, groet mij met beleefdheid. Het is een mannetje van nauwelijks twintig jaar oud, wiens kleren veel te wijd zijn, en die in zijn schoenen zit als in schuiten. Tegen de zaterdag ziet hij er doorgaans groezelig uit, maar de zondag is hij vers geschoren en gaat met nieuwe moed, zo lijkt het althans, een nieuwe schildwachtweek in.”

Van de Woestijne vraagt zich vervolgens af wat het soldaatje zal antwoorden als ze hem thuis uitvragen over Brussel: “Helaas, ik sta hier sedert zes weken. Van Brussel heb ik deze ijzeren brug gezien, over de spoorweg, die ik niet eens bekijken kan, want aan beide zijden rijzen de gesloten wanden ver boven mijn pinhelm uit. Verder zie ik het Duitse vlaggetje boven het spoor, het armzalig kleine vlaggetje dat mijn hoop op een groter Duitsland niet aanwakkert, vooral niet op regendagen. Ik zie weliswaar ook de dochter van de bazin uit het estaminet naast de brug, doch ken mijn schildwachtplichten.” Aan het eind van de brug, op de hoek van de Emile Bockstaellaan met de Dieudonné Lefèvrestraat is nu het café Nostalgie. Zou het de dochter van dat estaminet geweest zijn?

De Jubelfeestbrug [16] is een van de oudste bruggen van het gewest omdat ze in de Tweede Wereldoorlog niet tot ontploffen werd gebracht. Ze was toen al niet strategisch meer. De bruggen over het kanaal kregen in mei 1940 wel de volle lading van de Engelse genietroepen om de opmars van de Duitsers af te remmen. Toen de Lakenbruggen [11] op 17 mei om iets na 14 uur werd opgeblazen, verschenen op het Jules de Troozplein al snel de eerste Duitsers in een niet-militaire auto, twee officieren met een vrouwelijke chauffeur. De volgende morgen legden de Duitsers al balken over het stalen gebinte van de slechts gedeeltelijk vernielde brug. De verraste Britten hadden de explosieven onder een van de brugpijlers niet meer tot ontploffing kunnen brengen.

Het gevolg van de vernielde kanaalbruggen was dat Brussel in twee werd gesneden. De trams konden bepaalde wijken van Anderlecht of Molenbeek niet meer bereiken. De Duitse genietroepen bonden rubberboten samen tot een veer of bouwden noodbruggen van ijzeren vaten of van boten die dwars op het kanaal werden gelegd. Daarom zie je op oude foto’s ook schepen die de Engelsen tot zinken hadden gebracht.

Sabotage in Stalle

Een bengelende stoomlocomotief aan het talud van de brug over de Stallestraat [14], dat moet een gezicht geweest zijn in 1941. Oud-woordvoerder van de MIVB en Ukkelkenner Leo Camerlynck kreeg er een foto van te zien in het Bondsarchief in Koblenz: “De stoomlocomotief trok reizigers- en goederenwagens. Of het om een sabotagedaad van het verzet ging of om slecht onderhouden sporen, is verre van duidelijk. Evenmin of er slachtoffers waren.” Veel meer hierover dan dat zowel de Belgische spoorwegen als de bezetter een onderzoek voerden, vonden we niet terug. Het andere gemetselde viaduct in Ukkel Kalevoet [46] was in 1940 door het terugtrekkende Franse leger tot ontploffen gebracht. In datzelfde jaar werd het al heropgebouwd, maar nu ook met betonnen bogen. Het is geen stadslegende dat in de bruggen holtes werden voorzien om in oorlogstijd op te vullen met dynamiet. In vredestijd vind je al eens een cannabisplantage in een koker van een brug zoals dit jaar in Wielsbeke.

Er bestaan veel films over strategische bruggen: ‘Bridge over the River Kwai’ (1957), ’A Bridge too far’ (1977), ‘Bridge of Spies’ (2015). ’Die Brücke’, al uit 1945, gaat over het waargebeurde verhaal van Duitse scholieren die op het eind van de oorlog nog wordt opgedragen een onbelangrijke brug te verdedigen.

Bruggen worden vaak als eerste vernield in een oorlog – “bruggen zijn het omgekeerde van grenzen, en grenzen zijn waar oorlog van komt”. (De Kruissleutel, Primo Levi, 1978) Daarom staan er op de eurobiljetten bruggen die aan bekende Europese bruggen doen denken. Waar ze liggen? Nergens, dat was althans de bedoeling, zodat elk land er wel een brug in kon herkennen. In het Nederlandse Spijkenisse werden de zeven fantasiebruggen echter in het echt nagebouwd. De gekleurde bruggetjes van de kunstenaar Robin Stam functioneren zelfs.

De zestiende-eeuwse ‘oude brug’ Stari Most in Mostar heeft de Tweede Wereldoorlog overleefd, maar niet de oorlog in Joegoslavië in 1993. Ze werd in 2004 identiek heropgebouwd, waardoor er weer een voorzichtige toenadering is tussen katholieke Kroaten en Bosnische moslims. Like a bridge over troubled water… Tussen China en Noord-Korea is er de Vriendschapsbrug, tussen Engeland en Schotland de Union Bridge, tussen Canada en de Verenigde Staten de Peace Bridge. Na de Tweede Wereldoorlog kreeg een brug in het Franse Trouville-sur-Mer de naam Pont des Belges, genoemd naar de bevrijders van het dorp. In het moeras van Ganshoren ligt een voetbrug waarvan kunstenaar Filip Van Dingenen en dichter Paulo Teixeira een plek maakten om te contempleren over overgangen: “een brug is een symbool dat overal begrepen wordt”.

Op 24 december 1914 kruipt Van de Woestijne weer in zijn pen: “En waar ik onder een brug moet, staat daar zeer alleen een schildwacht, met een bollantaren naast zich. Zijn geweer heeft hij binnen zijne armen tegen zijn schouders geleund. In bei zijn dikke wollen wanten houdt hij een mondharmonica; en daar blaast hij, tusschen zijn natte snor en zijne puilende onderlip, een haperend en teder Kerstliedje op.”

17. Een brug voor de natuur

We dachten dat er maar één woord bestond voor ecoduct, waar dieren dus veilig een drukke weg kunnen oversteken, maar Leefmilieu Brussel spreekt ook van ecopassage, wildwissel, dieren- of wildviaduct en natuurbrug (in het Suske en Wiske-album De beestige brug (2014) leer je ook paddentunnels en eekhoornbruggen kennen).

Het ecoduct over de sporen van lijn 161 niet ver van de Bundersdreef in Watermaal-Bosvoorde is een succes, zegt Mathias Engelbeen van Leefmilieu Brussel: “Het wordt helaas al eens gebruikt door mensen, maar verder door reeën, steenmarters, woel- en spitsmuizen en egels. Ook vosjes en everzwijntjes zijn al gespot in de cameravallen. In het kader van de ontsnipperingscultuur in Brussel komt er nog een ecoduct over de Terhulpsesteenweg.”

Dieren zoeken echter ook spontaan bestaande bruggen op. “Een mooi actueel voorbeeld is de Rustieke brug (met takkenleuningen van beton) over de Lange vijver in het Woluwepark in Sint-Pieters-Woluwe. Ze is een broedplaats van de grote gele kwikstaart. Er loopt een renovatieproject waarbij nestgelegenheid voor deze soort voorzien wordt. Dat kunnen nestbakken worden, maar ook gewoon een constructie die ideale voorwaarden schept om nesten te bouwen, zoals een platform waar geen predatoren zoals ratten bij kunnen. De grote gele kwikstaart komt voor bij stromend water. In het Frans heten ze bergeronnette des ruisseaux.”

Nog over de Lange vijver ligt een stapstenen brug, eerder voor de mensensoort dan. Een meisje laat haar fietsje achter en stapt behoedzaam van steen naar steen. In China is de Anpingbrug een meer dan 800 jaar oude stapstenen brug van twee kilometer lang die op de bezoekers een tijdloze uitwerking zou hebben. In het park vonden we na wat zoeken ook de Duivelsbrug, waarvan de naam nog verwijst naar middeleeuwse bruggen waarvan werd gedacht dat ze met de hulp van de duivel waren gebouwd. Onderin de brug met de grote, gecementeerde rotsblokken is het aardedonker.

Zandige taluds

“Vossen zullen zeker onder bruggen en in tunnels kruipen om te schuilen. Duiven ook, al zijn ze niet graag gezien waar er auto’s geparkeerd staan of fietsers voorbijkomen. Oorspronkelijk waren dat rotsduiven die in valleien leefden. In de stad vonden ze hun vervanghabitat op hoge gebouwen en onder bruggen,” zegt Engelbeen. Voortaan bewonderen we de duiven op richels onder bruggen om hun aanpassingsvermogen en acrobatie.

“Pas uw rijstijl aan, vooral op op- en afritten en op bruggen,” hoor je het KMI wel eens waarschuwen, “omdat de ondergrond daar net iets kouder is dan op gewone wegen”. Ook voetgangers op de Peterbosbrug [35] in Anderlecht nemen dan kleinere stappen. Onder bruggen is het dan weer tochtiger, waarvan een man van de biodiversiteit als Engelbeen de mogelijkheden ziet: “Bepaalde varens gedijen daar goed. Tongvarens zijn interessant omdat ze een kalkindicatie geven, van betonkalk of natuurlijke kalksteen. Ook de Rotsbrug [32] in het Terkamerenbos, een rotshabitat, is ideaal voor varens en mossen. Tunnels en rocaille zijn geschikt als winterverblijven voor dagvlinders, muggen en vleermuizen.”

Vanaf de Jubelfeestbrug [16] tot aan het Bockstaelplein wordt het Thurn en Taxispark beheerd door Leefmilieu Brussel: “De zandige taluds van de Jubelfeestbrug met zowel zonbeschenen als schaduwplekken hebben een grote kolonie klimopbijen aangetrokken. Deze solitaire bijen leven toch in een soort kolonie. Hun levensduur hangt volledig samen met de bloei van de klimop in het najaar, die we daarom rond een aantal bomen in de buurt beheren. Mensen zijn zich niet altijd bewust van die heel specifieke relaties.”

18. Verwijl eens op een brug

Geen juwelierswinkeltjes op Brusselse bruggen, zoals op de Ponte Vecchio in Firenze, en ook geen kasteel zoals in Chenonceaux in de Loirevallei. Brusselse bruggen zijn ook niet eeuwenoud zoals de Romeinse Pont du Gard of de eerste gietijzeren brug uit 1781 die zelfs haar naam gaf aan het Engelse plaatsje Ironbridge. In Zwitserland nodigt de Verweilbrücke van architect Jürg Conzett uit om even stil te staan, maar ook in Brussel word je blij als je op sommige bruggen verwijlt.

Anders dan de twee wandelaars in Bellevue/Schoonzicht (Koen Peeters en Kamiel Vanhole, 1997) die op de Sainctelettebrug [28] uitzoomen op hun route door het industriële landschap, gaan wij er even inzoomen. Het is een van de drie art-decobruggen over het kanaal die Victor L. Rogister ontwierp. In mei 1940 werden ze tot ontploffen gebracht, maar daarna identiek heropgebouwd. Stroomopwaarts ligt de eerste Rogister-brug aan de Vlaamsepoort [26], tussen de Dansaertstraat en de Gentsesteenweg. Je herkent ze aan de mooi gesculpteerde leeuwenmanen in arduin. Speciaal is dat enkel de kant van Brussel-Stad is bewerkt. Net als de natuur houdt ook de stadsmens blijkbaar niet van leegte, want aan de kant van Molenbeek zijn er stickers opgekleefd met klimmende figuurtjes. Aan het Klein Kasteeltje ligt de tweede brug, die niet figuratief is uitgewerkt, maar wel de mooie naam Toekomstbrug [47] draagt. De Sainctelettebrug [28] is de chicste van de drie. Op de vier hoeken staan reuzennaakten van de beeldhouwer Ernest Wynants, leunend tegen twaalf meter hoge zuilen waarop een bol met wieren en schelpmotieven, wat doet denken aan de toren van het Stocletpaleis. De mannen- en vrouwenfiguren zijn omringd met vissenkoppen, scheepsboegen en hoornen des overvloeds. Ze kijken elk van op hun brug – eigenlijk liggen er twee bruggen vlak naast elkaar – naar elkaar. Iemand schreef onder een van de vrouwenbeelden: “this girl is on fire”. Op de kaaimuren kan je verder de imposante muurschilderingen ontdekken van het Europees collectief Kosmopolite Art Tour 2015. Aan station Diesdelle in Ukkel kregen de voetgangersbrug en perronmuren in 2017 ook een fresco van 25 graffiti-kunstenaars (o.l.v. Propaganza). De opdracht was om enkel lichte kleuren te gebruiken. Halfwakkere reizigers doen er ’s ochtends hun voordeel mee.

Verrassingen

Naast de spoorbrug voor de metro ligt de Ropsy-Chaudron- of Delacroixbrug [48] uit 1933 die ook na 1940 werd heropgebouwd. De balustrade bevat gebeeldhouwde schapenkoppen en tafereeltjes van koedrijvers en de oogst die in een mand wordt verzameld. Ze zijn gelinkt aan de Slachthuizen en Markten van Anderlecht waarvan Joseph Ropsy-Chaudron een van de eerste aandeelhouders was. Een voorbijganger van Roemeense origine vertelt ons dat zijn vader beeldhouwer was, maar dat geen van zijn twaalf kinderen de stiel heeft overgenomen: “Mensen lopen hieraan voorbij.” Niet iedereen.

Een andere brug uit het interbellum, boven de Pachecolaan [49] in Sint-Joost-ten-Node, verrast met haar gebogen lijnen. In de Sint-Lazaruslaan moet je een beetje contra-intuïtief de Kruidtuin links laten liggen en doorstappen langs geparkeerde auto’s en gedumpt afval. Het is dan ook een donkere en lange brug, erboven lopen de R20 en de Kruidtuinlaan. Pascal Verbeken noemt de Pachecolaan tussen muren van administratieve gebouwen in Brutopia (2019) ‘het ideale decor van een orwelliaanse, dystopische roman.’ Toch maar eens kijken naar de brug zelf met de mooie curves en reliëfs die aan zandsculpturen doen denken.

In de zogenaamde belle époque rond 1900, waren bruggen expliciet bedoeld om te verheffen. Het traktaat L’Esthétique des villes van Brussels burgemeester Charles Buls werd verspreid in heel West-Europa. Enkele van onze ‘mooiste’ bruggen stammen uit de tijd van deze embellissement: de Sobieskibrug [2] en de brug van de Gasstraat [50] in Laken, de brug van de Gerijstraat [1] in Anderlecht, de tweelingenbruggen van de Haachtsesteenweg [42] en de Helmetsesteenweg [43] in Schaarbeek. Belle-époquebruggen herken je aan monumentale toegangstrappen en balustrades, pseudotorentjes en uitkijkposten, doorwrocht smeedijzerwerk, of zelfs daklicht met glastegels.

Brugjes die tussen gebouwen lopen, zeker boven een straat, geven dan weer een mooi verrassingseffect. Het overdekte brugje aan de achterkant van het Bredford hotel in de Van Helmonstraat lijkt een serre met plantjes (overdekte bruggen worden in Japan ‘wind- en regenbruggen’ genoemd). Er zijn overdekte loopbruggen aan het Europees Parlement, de hoefijzervormige Konrad Adenauerbrug (2005), en tussen twee gebouwen van de Europese Unie over de Belliardstraat. Voor deze loopbrug ‘De draad van Ariadne’ (1991) liet beeldhouwer Jean-Paul Laenen twee Ariadnes een lintballet uitvoeren met een gouden draad, die Europa een houvast moet bieden. Een van de vijf rijstroken van de Belliardstraat werden twee fietsstroken, maar toch voel je je daar nog opgejaagd wild.

Atoomstijl

Even bekomen in de Tuin van de Maalbeekvallei met een klein tuibrugje voor voetgangers. Zo’n kabelgesteunde brug van enige omvang is er niet in het gewest. Vanop de Ring kan je wel de tuibrug over de Humaniteitslaan in Drogenbos zien. Tuibruggen kunnen esthetisch zijn, met tuien of kabels verankerd aan pylonen die samen het brugdek dragen. De eerste voetgangersbrug ter wereld van dat type werd in Brussel tijdens Expo 58 getoond. De brug met de pyloon van 50 meter hoog was het pronkstuk van de West-Duitse metaalindustrie. Vandaag doet de Expo-Brücke nog steeds dienst in het Duitse Duisburg als voetgangersbrug over de autosnelweg tussen de universiteit en het stadspark. Op de Heizel in het Ossegempark staat nog wel een restant van de voetgangersbrug Overpass die op hoge pijlers en met verlichte Exposterren tussen de paviljoenen slingerde. Langs de vijver kan je nog een beetje van de ene wereldexpo naar de andere langs twee bruggen uit 1935 en 1958. Een vreugdedansje – omwille van de onvervalste Atoomstijl – maakten we dan weer bij de loopbrug over de A12 tussen de tramterminus Esplanade en de Heizelsite. In de balustrade verwerkten de architecten Paul Emile Vincent en Jean Stuyvaert namelijk boemerangs.

In memoriam de heren Jean Boterdael en Guido Vanderhulst. Met dank aan Patrick Wouters van Brusselfabriek en Actie Patrimonium Kasseien Platanen (APKP) voor het nalezen en het helpen tegengaan van het verspreiden van ‘urban legends’.

An Devroe, auteur, fotograaf

https://www.instagram.com/an.devroe/

Share This